Advies van de Raad over onderwijs Nederlands

Datum: 
15 juni 2006

Mevrouw M.J.A. van der Hoeven
Voorzitter van het Comité van Ministers
van de Nederlandse Taalunie
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag

Den Haag, juni 2006

Advies van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren aan het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie over het onderwijs Nederlands

Mevrouw de voorzitter,

Hierbij ontvangt u een advies van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren inzake onderwijs Nederlands. De Raad, van mening dat een diepgaande evaluatie van doelstellingen, leerinhouden en toekomst van het vak Nederlands past in het kader van zijn mandaat, heeft het initiatief tot dit advies genomen in 2002.
De Raad vindt samenwerking rond het onderwijs van en in het Nederlands in het kader van de Nederlandse Taalunie van groot belang. Uitwisseling van expertise en ervaring rondom dit belangrijk onderwerp kan het onderwijs enkel ten goede komen. De Raad hoopt dat het Comité van Ministers dit standpunt onderschrijft en dat voor de geformuleerde aanbevelingen in voorliggend advies, daar waar de Taalunie een rol kan spelen in de verwezenlijking ervan, de nodige financiële ondersteuning kan worden gereserveerd.
Net als bij eerdere brede adviezen heeft de Raad allereerst een werkgroep de opdracht gegeven een rapport samen te stellen over de stand van zaken. De werkgroep bestond uit Sjaak Kroon (voorzitter), Koen Jaspaert (secretaris), Koen van Gorp, Hilde Hacquebord, Harry Paus, Rita Rymenans en de raadsleden Riet Jeurissen en Bert Tahitu.
De Raad heeft het resulterende rapport, Onderwijs Nederlands tussen gisteren en morgen, besproken in zijn vergaderingen van 16 september en 25 november 2005, de uitgangspunten ervan tot de zijne gemaakt en de meeste conclusies verwerkt in het voorliggende advies. Het rapport wordt in augustus op het Taalunieversum geplaatst. De leden van het Comité van Ministers ontvangen uiteraard een exemplaar.

Voorliggend advies is een algemeen advies: er wordt niet dieper ingegaan op specifieke deelaspecten van het onderwijs Nederlands, zoals het taalkunde-onderwijs en het literatuuronderwijs. De Raad vindt deze aspecten evenwel erg belangrijk en zal hierover in de toekomst bijkomende adviezen opmaken.

De Raad volgt de werkgroep wanneer die benadrukt dat een van de hoofddoelstellingen van het onderwijs Nederlands is ervoor te zorgen dat een ieder de talige bagage kan verwerven die nodig is om op een aanvaardbare manier en zelfredzaam aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Dit betekent ook dat burgers kennis dienen te hebben van normen en waarden over taal en taalgebruik.
Hieronder treft u een vijftal adviezen over het onderwijs Nederlands aan, elk met een toelichting, die door de Raad voltallig worden onderschreven.

  1. De Raad adviseert de Nederlandse, Vlaamse en Surinaamse overheden hun beleidsagenda's inzake onderwijs van en in het Nederlands in toenemende mate onderling af te stemmen. Om Suriname zo volledig mogelijk te betrekken, dienen de aanbevelingen gevolgd te worden van het congres over onderwijs Nederlands dat in januari 2005 in Paramaribo werd gehouden.
    Uit de analyse van de werkgroep blijkt dat de situatie van het vak Nederlands in Nederland en Vlaanderen sterk vergelijkbaar is: een vergelijkbare missie, een vergelijkbare kwaliteit, vergelijkbare problemen. Het ligt voor de hand dat samenwerking kan leiden tot verhoging van efficiëntie, tot diepgaandere reflectie en betere ontwikkeling en toetsing van middelen en methodes. Het Rapport constateert dat er weinig samenwerking bestaat op gebieden als onderzoek van onderwijs, curriculumontwikkeling, lerarenopleidingen, materiaalontwikkeling, de introductie van nieuwe didactieken en technologieën, en nascholing. In geregeld overleg tussen Vlaamse en Nederlandse betrokkenen zou gezamenlijk naar antwoorden kunnen worden gezocht op actuele vragen, bijvoorbeeld op het stuk van sociaal taalbeleid, meertaligheid, taalzorg, leesbevordering of het Nederlands in de Europese onderwijscontext.De Taalunie heeft in de voorbije jaren al enige aanzetten gegeven, zoals:
    - ondersteuning netwerken zoals LOPON2 voor Nederlandse en Vlaamse lerarenopleiders voor het basis-/ primair onderwijs;
    - projecten over laaggeletterdheid, taalachterstanden en Nederlands als tweede taal;
    - de publicatie 13 doelen in een dozijn, een referentiekader voor taalcompetenties in de lerarenopleiding;
    - de toekenning van de Taalunie Onderwijsprijs.

    De Taalunie moet de ingeslagen weg zeker vervolgen. Echter, de Raad beseft dat dergelijke initiatieven onvoldoende zijn om een vanzelfsprekende en diepgaande samenwerking te bewerkstelligen. Daartoe dienen gericht op alle beleidsniveaus samenwerkingsinitiatieven ontwikkeld te worden.

    Het schoolvak Nederlands in Suriname heeft een eigen inbedding en taakstelling, wat het niet minder belangrijk maakt om Suriname op te nemen in het referentiekader van het vak Nederlands. Ondanks eigen accenten van de Surinaamse situatie constateert de Raad met de werkgroep dat zijn aanbevelingen met betrekking tot het vak Nederlands ook gelden voor de Surinaamse situatie.
     
  2. De Raad adviseert een systematische en longitudinale beschrijving te laten maken van de praktijk van het onderwijs Nederlands in Nederland, Vlaanderen en Suriname teneinde de meer gemeenschappelijke aanpak die de Raad voorstaat te laten welslagen.

    De kennis, die noodzakelijk is nodig om de beeldvorming over het onderwijs te baseren op analyses van concrete onderwijspraktijken, eerder dan op axioma’s of vooronderstellingen, betreft vragen als:
    - Aan welke aspecten van taal wordt op dit moment aandacht besteed?
    - Wat zijn de gevolgen van nieuwe onderwijsvormen zoals 'het nieuwe leren' en 'competentiegericht onderwijs' voor (de didactiek van) het onderwijs Nederlands?
    - Hoe wordt in de praktijk omgegaan met taalcorrectheid?
    - Hoeveel aandacht gaat er naar de literaire canon?
    - Hoe reageren leerkrachten en opleiders in de praktijk op nieuwe vormen van diversiteit?
    - Hoe spelen leerkrachten en opleiders en leermiddelen in op digitale en andere nieuwe vormen van communicatie?

    Het Rapport Onderwijs Nederlands tussen gisteren en morgen besteedt al aandacht aan de situatie in het recent tot de Taalunie toegetreden Suriname. Een beschrijving als hier voorgestaan, die Suriname volwaardig betrekt, zal het mogelijk maken het onderwijs Nederlands in Suriname uiteindelijk volledig in de overwegingen te betrekken.
     
  3. De Raad beveelt aan dat in de komende jaren géén nieuw algemeen vernieuwingsconcept ontwikkeld wordt, maar dat al ingezette onderwijsvernieuwingen voor het onderwijs Nederlands verder uitgewerkt en verbeterd worden. Belangrijk is daarbij dat onderwijsconcepten en middelen die waardevol zijn gebleken zorgvuldig worden ingevoerd, breedschalig toegepast en verfijnd.

    Een centraal punt van aandacht bij de in gang gezette vernieuwingen betreft de veranderende rollen van leraren en leerlingen in het onderwijs. De positie van de leraar tussen de verwachtingen van de onderwijsvernieuwing en van de maatschappij, en de grotere verantwoordelijkheid van leerlingen voor hun eigen leerontwikkeling moeten daarbij speciale aandacht krijgen. Belangrijk aandachtspunt daarbij is de veranderende didactiek en invulling van het onderwijs Nederlands op pabo’s en lerarenopleidingen.

    Een ander cruciaal punt is de noodzakelijke aanpassing van het onderwijs Nederlands aan veranderende omstandigheden in de maatschappij. Het onderwijs Nederlands dient in toenemende mate rekening te houden met interculturele verscheidenheid, met intensere contacten met andere talen, met digitalisering en informatisering en met andere aspecten van de globalisering van de maatschappij. Aanpassen aan die omstandigheden is een absolute noodzaak.
     
  4. De Raad adviseert dat de resultaten van onderzoek betreffende het schoolvak Nederlands breed toepasbaar gemaakt worden voor de onderwijspraktijk.
    Resultaten van onderzoek als hier bedoeld zijn niet altijd direct toepasbaar, en zijn vaak ook niet gericht op ondersteuning van de onderwijspraktijk. De Taalunie is een uitstekend gremium om onderzoeksgegevens te laten bewerken teneinde ze rendabel te maken voor de onderwijspraktijk Nederlands.
     
  5. De Raad adviseert dat speciale aandacht gegeven wordt aan het vak Nederlands in het beroepsonderwijs.

    Doelstellingen en didactiek van dit onderwijstype zijn onvoldoende helder. In Vlaanderen en Nederland bestaan grote zorgen over de niet aflatende uitstroom van te laag geletterden uit, in het bijzonder, het beroepsonderwijs. Onvoldoende taalvaardigheid is vaak een factor bij algemenere achterstand. De Raad pleit ervoor om aan de bestrijding van achterstand in het beroepsonderwijs hoge prioriteit te geven. De Raad beveelt aan dat de Taalunie het ertoe leidt dat acties rondom dit thema gebundeld worden teneinde te bevorderen dat de onderwijspraktijk snel verbeterd wordt. Ook in het beroepsonderwijs moet de plaats van het vak Nederlands in het concept van het nieuwe leren en competentiegericht leren duidelijk worden. Gericht beleid moet scholen ertoe aanzetten om van de bestrijding in achterstand een prioriteit te maken. Vlaams-Nederlands-Surinaamse samenwerking kan vanuit complementariteit en verschillend gevoed discours nieuwe invalshoeken en oplossingen opleveren.
     

Tenslotte, het belang van het Nederlands, en dus ook van het onderwijs daarin, voor
- het goed functioneren van de burgers op het grondgebied van de drie Taaluniepartners;
- de integratie van nieuwe generaties van hun ingezetenen;
- de samenwerking tussen de drie partners en hun ingezetenen;
- de positie van het Nederlands in een kleiner wordende wereld;
- de blijvende ontwikkeling, verwoording en overdracht van gedachtegoed en ervaringen in onze samenlevingen via de media, de kunsten en meer private communicatiekanalen,

kortom, het belang voor individuele burgers en groepen die leven in onze samenlevingen, voor die samenlevingen en voor de Nederlandse taalgemeenschap als geheel, van de taal die het belangrijkste communicatiemiddel is in de drie Taaluniepartners, rechtvaardigt naar de mening van de Raad de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een coherente visie op het onderwijs Nederlands. Die visie kan winnen aan diepgang en wijdte van blik wanneer, overeenkomstig de aanbeveling geformuleerd in artikel 5 van het Taalunieverdrag de Taaluniepartners in dit opzicht gezamenlijk optreden (zie aanbeveling 1). Een dergelijke visie en de daaruit voortvloeiende beleidsmaatregelen dienen gebaseerd te zijn op goede kennis van het terrein (aanbeveling 2). Vandaar dat de Raad geen grootschalige vernieuwing op de korte termijn voorstaat (aanbeveling 3). Als voorbereiding op de voorgestane coherente visie en planning beveelt de Raad aan nu al te beginnen met het bestuderen van concrete toepassingsmogelijkheden van onderzoeksresultaten (aanbeveling 4). Gezien de zorgwekkende situatie gesignaleerd voor het beroepsonderwijs adviseert de Raad in zijn vijfde aanbeveling zonder uitstel extra aandacht te laten besteden aan het vak Nederlands in deze vorm van onderwijs.

Met vriendelijke groet en tot nadere toelichting bereid,

Maria van der Aalsvoort
voorzitter Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren

c.c.: de leden van het Comité van Ministers

Overige adviezen