Adriaan van Dis en de Spellingcommissie

Den Haag
13 december 2012

 

Het valt echt wel mee hoor, meneer Van Dis

Dinsdagavond was Adriaan van Dis te gast bij Pauw en Witteman als schrijver van het Groot Dictee der Nederlandse taal. De sfeer van het gesprek was luchtig en het Dictee werd nadrukkelijk ‘een spelletje’ genoemd. Maar, zoals vaker als het over de spelling gaat, lopen scherts en feiten een beetje door elkaar en voor je het weet worden bestaande misverstanden bevestigd.

Vrijwel alles wat over spelling wordt gezegd, is te herleiden op een van deze twee standpunten: 1) spelling is te moeilijk; 2) er wordt steeds van alles veranderd en dat mag niet.
Wij erkennen dat onze spelling lastig is, maar de zeer beperkte aanpassingen die nu levende spellers hebben meegemaakt, zijn alle vereenvoudigingen geweest.

streepje of niet
Van Dis werd door Jeroen Pauw uitgenodigd om inconsequente en hilarische voorbeelden van de officiële spelling te geven en hij noemde vmbo-diploma (met streepje, want vmbo is een afkorting) en havodiploma (zonder streepje, want havo is een letterwoord – ook een soort afkorting).
Laat dit nou net gaan over een van de zeer weinige, maar o zo praktische nieuwe regels uit 2005. Tot 2005 was er, tot ergernis van veel tekstschrijvers, eindredacteuren en correctoren, geen regel voor het correct spellen van samenstellingen met een afkorting. In de woordenlijst van 1995 vond je voorbeelden mét en zónder streepje: BTW-tarief, aids-remmer, havo-diploma, petfles, pinpas. Daar kon je dus geen regel uit afleiden.
De vorige spellingcommissie heeft voorzien in een regel die iedereen kan onthouden en toepassen: als je de afkorting uitspreekt als losse letters (btw,  vmbo), dan schrijf je een streepje na de afkorting. En als je de afkorting uitspreekt als een gewoon woord (aids, havo, pin), dan spel je een samenstelling ermee zoals je gewone samenstellingen schrijft: aan elkaar. Dat die laatste groep afkortingen door taalkundigen ‘letterwoorden’ genoemd worden, hoef je helemaal niet te weten. Het mooie van zo’n simpele regel is dat iedereen hem ook zelf kan toepassen op afkortingen die (nog) niet in een woordenboek of spellinggids staan.

zenuwachtig
Adriaan van Dis zei ook: ‘Doordat we telkens de spelling veranderen, kunnen we eigenlijk niet meer goed een 19e-eeuwse schrijver lezen. Zelfs Bordewijk uit de jaren dertig komt ons al vreemd voor en zodra we het woord bosch of mensch zien, worden we al zenuwachtig.’

Maar u denkt toch niet echt dat dat zo is, meneer Van Dis? Meent u echt dat we de bosschen en menschen, het verschil tussen koolen en kolen en tussen de man en den man moeten blijven meesleuren? Ook al zijn die verschillen al eeuwen niet meer hoorbaar? En dat alle kinderen dat moeten blijven leren op school? We zouden nu moeite hebben om op zijn 19e-eeuws te schrijven, maar een tekst wordt toch niet onleesbaar door een paar overbodig geworden letters in sommige woorden? Nescio en Multatuli hebben bewust van de in hun tijd gangbare spelling afgeweken, en dat heeft hun faam of populariteit als schrijvers op geen enkele manier in de weg gestaan. Dat illustreert dat goede teksten niet door een lichtjes afwijkende spelling ontoegankelijk worden.

Adriaan van Dis had zijn ‘twee bijbeltjes’ meegebracht naar de studio: het Groene Boekje uit 1995 en het Witte Boekje, dat zijn bestaan ontleent aan het feit dat de samenstellers bewust woorden ook vermelden in een spelling die van de officiële afwijkt. Het nieuwe Groene Boekje uit 2005 kent veel minder verschillen met die uit 1995 dan menigeen denkt, maar als het echt op de juiste spelling aankomt, heeft de courante editie natuurlijk toch de voorkeur boven een verouderde. Overigens volgen alle recente  Nederlandse woordenboeken de officiële spelling, dus een afzonderlijk naslagwerkje is eigenlijk niet eens nodig.

namens de spellingcommissie van de Nederlandse Taalunie

Tanneke Schoonheim, voorzitter