Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie

Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Nederlandse Taalunie, ondertekend te Brussel op 9 september 1980

Hoofdstuk I
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
 
Hoofdstuk II
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
 
Hoofdstuk III
Artikel 17
 
Hoofdstuk IV
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
 
Memorie van Toelichting bij het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie
Historisch overzicht
Van 1648 tot 1940
Van 1945 tot heden
Adviezen van de Gemengde Commissie
Belgisch-Nederlandse werkgroep ad hoc
De Nederlandse Taalunie
 
Het Verdrag per onderwerp
Doelstelling
Organen
Het Comité van Ministers
De Interparlementaire Commissie
Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren
Algemeen Secretariaat
Plaats van vestiging van de Taalunie
Financiering
Geschillen
Territoriale toepassing
Associatie van derde landen
Duur en wijziging
 
Besluit van het Comité van Ministers houdende de instelling van een voorbereidende structuur van de Nederlandse Taalunie
 
Besluit van het Comité van Ministers houdende de vaststelling van enige bepalingen bij het operationeel worden van de Nederlandse Taalunie
 
Besluit van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie houdende vaststelling van de plaats van vestiging van de zetel van de Nederlandse Taalunie

 

Zijne Majesteit de Koning der Belgen en Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zich bewust van het belang van de Nederlandse taal voor de samenleving in Hun landen;

Zich ervan bewust dat de overheden van Hun landen samen medeverantwoordelijk zijn voor de Nederlandse taal als instrument van maatschappelijk verkeer en als uitdrukkingsmiddel van wetenschap en letteren, alsmede voor de vaardigheid in het gebruik ervan;

Ervan overtuigd dat grotere bekendheid met de Nederlandse taal en letteren in het buitenland zal leiden tot meer waardering voor de Nederlandse cultuur;

Ervan overtuigd dat de gemeenschappelijke zorg voor de Nederlandse taal de banden tussen de Nederlandstaligen in Hun landen zal versterken;

Erkennend dat het Verdrag betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden, dat op 16 mei 1946 tussen Hun landen is gesloten, de onderlinge betrekkingen in grote mate heeft bevorderd en mede heeft geleid tot een hechtere samenwerking tussen de Nederlandstaligen in Hun landen;

Verlangend, in het licht van het voorgaande, aan Hun samenwerking op het gebied van de Nederlandse taal een meer institutioneel karakter te geven;

Hebben besloten tot de instelling van een unie op het gebied van de Nederlandse taal en hebben hiertoe als Hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie de Heer Ch.-F.Nothomb, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer D.F. van der Mei, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, het volgende zijn overeengekomen:

 

Hoofdstuk I

 

Doel en inhoud

Artikel 1
Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden stellen bij dit Verdrag de Nederlandse Taalunie in (hierna te noemen de Taalunie).

Artikel 2

  1. De Taalunie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin.
     
  2. Tot dit gebied behoren: de taal en letteren als onderwerp van wetenschap, de letteren als vorm van kunst, de taal als communicatiemiddel van de wetenschappen, de taal als medium van de letteren, het onderwijs van de taal en van de letteren en, meer in het algemeen, de taal als instrument van maatschappelijk verkeer.

 

Artikel 3
Tot de doelstellingen van de Taalunie behoren:

  1. de gemeenschappelijke ontwikkeling van de Nederlandse taal;
  2. de gemeenschappelijke bevordering van de kennis en het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal;
  3. de gemeenschappelijke bevordering van de Nederlandse letteren;
  4. de gemeenschappelijke bevordering van de studie en verspreiding van de Nederlandse taal en letteren in het buitenland.

 

Artikel 4
De Hoge Verdragsluitende Partijen besluiten tot:
 

  1. de oprichting en de instandhouding van gemeenschappelijke instellingen voor de verwezenlijking van doelstellingen en maatregelen die in dit Verdrag zijn overeengekomen;
  2. het gemeenschappelijk bepalen van de officiële spelling en spraakkunst van de Nederlandse taal;
  3. het gemeenschappelijk bepalen van een gelijke terminologie ten behoeve van wetgeving en officiële publikaties;
  4. het voeren van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot particuliere initiatieven op het gebied van woordenboeken, woordenlijsten en grammatica's;
  5. het gemeenschappelijk bepalen van de toetsstenen voor het behalen van het 'Getuigschrift Nederlands als Vreemde Taal' en het gezamenlijk toekennen van het Getuigschrift;
  6. het voeren van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de Nederlandse taal en letteren in internationaal verband, in het bijzonder in de Europese Gemeenschappen;
  7. het plegen van overleg, wanneer in hun betrekkingen tot derde landen of tot internationale instellingen of bijeenkomsten de belangen van de Nederlandse taal of de doelstellingen van dit Verdrag in het geding zijn.

 

Artikel 5
De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen bovendien, waar zij dit nodig achten, gezamenlijk:

  1. het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de Nederlandse taal en letteren alsmede de ontwikkeling van de Nederlandse letteren aanmoedigen, daarbij inbegrepen het uitgeven en het verspreiden van boeken;
  2. het onderwijs in de Nederlandse taal en letteren bevorderen en ernaar streven dat daarbij wordt uitgegaan van de eenheid van de taal en de gemeenschappelijkheid van de letteren;
  3. streven naar een verantwoord gebruik van de Nederlandse taal, in het bijzonder in het onderwijs en in het ambtelijk verkeer;
  4. op het gebied van de massamedia initiatieven aanmoedigen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Taalunie beogen;
  5. de instelling van databanken op het gebied van de terminologie en het opstellen van woordenlijsten bevorderen;
  6. het onderwijs in de Nederlandse taal, letteren en cultuurgeschiedenis in het buitenland bevorderen of organiseren;
  7. de verspreiding in het buitenland van de Nederlandse letteren, al of niet in vertaling, aanmoedigen;
  8. particuliere initiatieven die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Taalunie kunnen bijdragen, aanmoedigen.

 

 

Hoofdstuk II

 

Organen

Artikel 6
De organen van de Taalunie zijn:

 

  1. het Comité van Ministers;
  2. de Interparlementaire Commissie;
  3. de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren;
  4. het Algemeen Secretariaat.

 

Artikel 7
Het Comité van Ministers bepaalt het beleid van de Taalunie.

Het draagt zorg voor de uitvoering van dit Verdrag met het oog op de verwezenlijking van de daarin vervatte doelstellingen.
Het doet aanbevelingen en stelt maatregelen vast ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag onder de erin aangegeven voorwaarden.
Het houdt toezicht op de uitvoering van zijn besluiten.
Het is met name bevoegd tot het sluiten van de in artikel 20 bedoelde associatieovereenkomsten.
In alle zaken de Taalunie betreffende wint het Comité van Ministers het advies in van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Het Comité van Ministers stelt de Statuten van de Raad vast.

Artikel 8

  1. Ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen wijst ten minste twee leden van de regering aan om zitting te nemen in het Comité van Ministers. Bij voorkeur komen die leden van de regering in aanmerking die belast zijn met de zorg voor onderwijs en cultuur.
  2. Ieder van de Hoge Verdragsluitende partijen kan, telkens als zij het gewenst acht, andere leden van haar regering uitnodigen aan de vergaderingen deel te nemen.
  3. Ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen beschikt over één stem.

 

Artikel 9

  1. Het Comité van Ministers komt ten minste éénmaal per jaar bijeen. In dringende gevallen komt het bijeen op verzoek van de regering van één van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
  2. De vergaderingen van het Comité van Ministers worden beurtelings door een Belgisch en een Nederlands lid voorgezeten, ongeacht de plaats van de vergadering.

 

Artikel 10
De Interparlementaire Commissie is bevoegd te beraadslagen over alle zaken die op de Taalunie betrekking hebben en zich daarover tot het Comité van Ministers te richten. De Interparlementaire Commissie regelt zelf haar werkzaamheden.

Artikel 11
De Interparlementaire Commissie bestaat uit ten minste veertien leden, van wie de helft wordt gekozen uit en door de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap in België en de andere helft uit en door de Staten-Generaal in Nederland.

Artikel 12
De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, hierna genoemd de Raad, heeft tot taak:

 

  1. desgevraagd of uit eigen beweging aan het Comité van Ministers adviezen uit te brengen en maatregelen voor te stellen met betrekking tot de doelstellingen en beleidsvoornemens in artikel 2, 3, 4 en 5 genoemd;
  2. alle verdere werkzaamheden en taken te verrichten die voortvloeien uit zijn Statuten.

 

Artikel 13
De samenstelling en de werkwijze van de Raad worden geregeld in zijn Statuten.

Artikel 14

  1. Het Algemeen Secretariaat is het beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend orgaan van de Taalunie. Het staat ten dienste van het Comité van Ministers, van de Raad en desgewenst van de Interparlementaire Commissie. Gehoord de Raad, stelt het Comité van Ministers regelen vast voor de wijze waarop het Algemeen Secretariaat zijn werkzaamheden ten dienste van deze organen verricht.
  2. Het Algemeen Secretariaat bestaat uit de Algemeen Secretaris en zijn medewerkers. De Algemeen Secretaris is van Nederlandse of Belgische nationaliteit. De Algemeen Secretaris of een door hem aangewezen vertegenwoordiger woont de vergaderingen van de in het eerste lid genoemde organen bij, tenzij het desbetreffende orgaan anders beslist. Hij heeft daarin een raadgevende stem.
  3. Gehoord de Raad, stelt het Comité van Ministers de personeelssamenstelling en de rechtspositie van het personeel van het Algemeen Secretariaat vast.
  4. Het Comité van Ministers benoemt, schorst en ontslaat de Algemeen Secretaris, gehoord de Raad. Het bepaalt diens salaris, pensioen, toelagen en andere arbeidsvoorwaarden.
  5. Met inachtneming van de bepaling in het derde lid benoemt, schorst en ontslaat de Algemeen Secretaris het overige personeel van het Algemeen Secretariaat, een en ander volgens nader door het Comité van Ministers, de Raad gehoord, te stellen regelen.

 

Artikel 15
De zetel van de Taalunie is gevestigd op een door het Comité van Ministers te bepalen plaats.

Artikel 16

  1. De Taalunie bezit rechtspersoonlijkheid. Zij geniet op het grondgebied van ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen dezelfde rechtsbevoegdheid als door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend, voor zover deze nodig is voor de uitoefening van haar taak en voor het verwezenlijken van haar doelstellingen. In het bijzonder kan zij contracten naar burgerlijk recht sluiten, onroerende en roerende goederen verwerven en vervreemden, particuliere en openbare gelden ontvangen en uitgeven, alsmede in rechte optreden. De Taalunie wordt hiertoe door de Algemeen Secretaris vertegenwoordigd.
  2. De voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn voor de uitoefening van de functies en voor het bereiken van de doelstellingen van de Taalunie worden vastgelegd in een tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen te sluiten Protocol.

 

 

Hoofdstuk III

 

Geldmiddelen

Artikel 17
De Hoge Verdragsluitende Partijen verstrekken de Taalunie de voor de uitvoering van haar taak benodigde financiële middelen in een zodanige verhouding dat België éénderde en Nederland tweederde van de kosten betaalt.
Het Comité van Ministers heeft de bevoegdheid in daartoe aanleiding gevende gevallen hiervan af te wijken.
Het Comité van Ministers stelt de begroting van de Taalunie en de regelen omtrent het financiële beheer vast.

 

Hoofdstuk IV

 

Slotbepalingen

Artikel 18
Elk geschil tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van het Verdrag, dat niet door onderhandelingen kan worden opgelost, zal worden voorgelegd aan een arbitragecommissie waarvan de samenstelling door het Comité van Ministers wordt bepaald.

Artikel 19

 

  1. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is de werking van dit Verdrag beperkt tot het Rijk in Europa.
  2. De werking van dit Verdrag kan worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen door middel van een diplomatieke notawisseling.

 

Artikel 20
Onder voorbehoud van voorafgaande goedkeuring van de Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen andere Staten die aan activiteiten van de Taalunie wensen mede te werken, met de Taalunie een associatieovereenkomst sluiten. De overeenkomst bepaalt de vormen en voorwaarden van deze samenwerking.

Artikel 21

  1. Het Verdrag wordt gesloten voor onbepaalde tijd.
  2. Ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan te allen tijde, na verloop van tien jaar na de dag waarop het Verdrag in werking is getreden, aan de andere Hoge Verdragsluitende Partij schriftelijk kennisgeving doen van haar besluit het Verdrag te beëindigen. De opzegging wordt van kracht twaalf maanden na de dag van ontvangst van deze kennisgeving door de andere Hoge Verdragsluitende Partij.

 

Artikel 22
Het comité van Ministers kan de Hoge Verdragsluitende Partijen aanbevelingen doen tot wijziging van dit Verdrag.

Artikel 23

  1. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen te 's-Gravenhage worden uitgewisseld.
  2. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op de dag van de uitwisseling van de akten van bekrachtiging.

 

Ten blijke waarvan de gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te Brussel, op 9 september 1980, in tweevoud, in de Nederlandse taal.

Voor het Koninkrijk België: Charles F. Nothomb
Voor het Koninkrijk der Nederlanden: D.F. van der Mei

 

Memorie van Toelichting bij het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie

Inleiding
De culturele verbondenheid van Nederland en Nederlandstalig België manifesteert zich bovenal in de gemeenschappelijke taal: het Nederlands. De regeringen van België en Nederland zijn zich bewust van het belang van de Nederlandse taal voor de samenleving in en de samenwerking tussen hun beide landen. Zij achten zich daarom samen medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van de Nederlandse taal. Zij hebben derhalve besloten een unie op het gebied van de Nederlandse taal in te stellen, genaamd de Nederlandse Taalunie.
 

Historisch overzicht

Inleiding
De eenheid van de Nederlandse taal en van de letteren waarvan die taal het medium is, is een gegeven dat uit de geschiedenis van de Lage Landen tot ons komt. Hendrik van Veldeke, Hadewijch, Jan van Ruusbroec, Jacob van Maerlant, Geert Groote, Michiel de Swaen, de schrijvers van Vanden vos Reinaerde, Elckerlijc en Mariken van Nieumeghen - en vele anderen - behoren tot het vroegste gemeenschappelijk erfgoed van onze taal en cultuur. In de Middeleeuwen, de Renaissance en ook in latere eeuwen wordt de taal veelal genoemd naar het gewest waar zij wordt gesproken. De benaming 'Nederlantsch' vindt men evenwel reeds in een incunabel van 1482. In de tweede helft van de zestiende eeuw groeit in de Nederlanden een saamhorigheidsgevoel boven de gewesten uit, maar het zal nog tot onze dagen duren vooraleer nagenoeg alle Nederlandstaligen hun taal Nederlands noemen. In het buitenland bestaan omtrent eenheid en benaming van onze taal ook nu nog vele misvattingen.

De onderlinge verscheidenheid van de gewesten van de Lage Landen - gevolg en oorzaak van etnische, aardrijkskundige, godsdienstige, economische, sociale en bestuurlijke factoren - heeft op die eenheid haar natuurlijke invloed gehad en heeft haar geleidelijk aan ontwikkeld tot een levenskrachtig geheel. De blijvende groei naar eenheid blijkt onder andere uit twee publikaties uit de tweede helft van de 16e eeuw. Bij de Antwerpse uitgever Plantijn verschijnt in 1574 het door Cornelius Kiliaan samengesteld Dictionarium, waarin een wetenschappelijke beschrijving wordt gegeven van de toen in het Nederlandse taalgebied in gebruik zijnde woorden. Het is nog altijd een van de beste bronnen van de Nederlandse taal in de 16e eeuw. In opdracht van de Amsterdamse rederijkerskamer De Eglantier verschijnt in 1584 van de hand van Hendrik Laurensz Spiegel de Twe-spraack van de Nederduytsche letterkunst, waarin wordt gepoogd orde te scheppen in de verschillende schrijfgewoonten.

Ook aan de Statenvertaling van de Bijbel, die in 1637 verscheen, lag het streven naar een in alle Nederlandstalige gewesten verstaanbare tekst ten grondslag. Vandaar dat voor deze taak deskundigen uit de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden aangetrokken. Hun werk is van grote betekenis geweest voor de eenheid van het Nederlands.

Gememoreerd zij tenslotte dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog vele 'Spaanse Brabanders' de wijk namen naar het Noorden, waar ze een belangrijke bijdrage zouden leveren tot Hollands' Gouden Eeuw.

Onder hen bevonden zich de Antwerpse ouders van Joost van den Vondel. De staatkundige tweedeling - sedert 1648 - van het Nederlandse taalgebied heeft de eenheid van de taal niet geheel gebroken noch ontkracht. Wel heeft zij desintegratie veroorzaakt, die grote schade heeft toegebracht aan het gebruik van het Nederlands als gemeenschappelijke omgangstaal binnen het taalgebied. Om deze schade ongedaan te maken zijn vooral in de laatste decennia talrijke initiatieven genomen, zowel van particuliere als van officiële zijde. Vele van die initiatieven hebben tot gunstige resultaten geleid. Het is echter steeds meer als een gemis ervaren dat een geschikt wettelijk kader ontbreekt om de eenheid van het taalgebruikte bevorderen. De rijping der geesten in beide landen en grondwettelijke ontwikkelingen van de laatste jaren in België hebben het mogelijk gemaakt thans structuren hiervoor op te bouwen. De Nederlandse Taalunie heeft onder andere tot doel hierin te voorzien.

Het navolgende geeft in grote lijnen een overzicht van de ontwikkelingen sinds 1648.

Van 1648 tot 1940
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog vond een belangrijke uittocht plaats naar het Noorden. Ook vele letterkundigen uit het Zuiden vestigden zich in de Republiek. De Zuid-Nederlandse letteren werden daarmee voor eeuwen naar het tweede plan gedrongen. Schrijvers van formaat, opvallende persoonlijkheden, treffen we in de Zuidelijke Nederlanden tot ver in de 18e eeuw nauwelijks aan. Toch zijn er ook na 1648 op het gebied van taal en letteren contacten tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden blijven bestaan.

Zo verschijnt in 1761, dus tijdens het Oostenrijkse bewind in de Zuidelijke Nederlanden, een Nieuwe Nederduytsche spraek-konst, samengesteld door de in Voorburg bij Den Haag geboren en in Antwerpen onderwijzende Jan des Roches, pedagogisch adviseur van de autoriteiten in de Oostenrijkse Nederlanden, in 1785 benoemd tot inspecteur-generaal van het onderwijs te Brussel.

In 1788 publiceert J.B.C. Verlooy, advocaat, later burgemeester van de stad Brussel, een Verhandeling op d'onacht der moederlyketael in de Nederlanden, waarin hij vraagt om herstel van het onderwijs in de eigen taal en pleit voor de eenmaking van de Hollandse en Vlaamse letteren. In het Noorden kwam op 18 december 1804 de eerste officiële spellingregeling tot stand, toen het Staatsbewind van de Bataafse Republiek de conclusies aanvaardde van de 'Verhandeling over de Nederduitsche spelling, ter bevordering van eenparigheid in dezelve', die op last van de Agent van Nationale Opvoeding was geschreven door de Leidse hoogleraar in de Vaderlandse Taal en Welsprekendheid, Matthijs Siegenbeek. Hieruit ontstond het Woordenboek voor de Nederduitsche spelling (1805) dat in Noord en Zuid in gebruik is gebleven tot 1864. Toen werd in België de spelling - De Vries en Te Winkel - ingevoerd. Ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) tracht de regering de positie van het Nederlands in het Zuiden te versterken. De langdurige politieke scheiding blijkt echter nog meer verschillen in taalgebruik te hebben teweeggebracht dan er voordien al bestonden. Na de omwenteling van 1830 gaan erin het Zuiden zelfs stemmen op om te komen tot een autonome Vlaamse taal. Toch had de korte hereniging bij een aantal Vlaamse letterkundigen de gedachte versterkt van de eenheid van de Nederlandse taal. Geïnspireerd door J.A. Alberdingk Thijm organiseert dr. F.A. Snellaert - die met J.B. David en J.F. Willems behoort tot de belangrijkste figuren van de Vlaamse herleving na 1830 - in 1849 te Gent het eerste Taal- en letterkundig Congres, waar Nederlandse en Vlaamse letterkundigen en schrijvers elkaar opnieuw ontmoeten. Hun bijeenkomst zou de eerste worden van een reeks congressen die tot 1912 afwisselend in België en in Nederland worden gehouden. Op dat eerste congres was de wens naar voren gekomen een zo volledig mogelijk woordenboek van de Nederlandse taal tot stand te brengen. Bij het in studie nemen van dit plan bleek alras dat eerst meer eenheid moest worden geschapen ten aanzien van de spelling. Onder auspiciën van het congres publiceert dr. L.A. te Winkel in 1863 zijn Grondbeginselen der Nederlandsche Spelling die de grondslag zouden vormen van de Woordenlijst voor de Spelling der Nederlandsche Taal, die hij in 1866, samen met prof. dr. M. de Vries, publiceert.

De Belgische regering nam die grondbeginselen terstond in studie en vaardigde reeds op 21 november 1864 een Koninklijk Besluit uit waarbij de spelling-De Vries en Te Winkel verplicht werd gesteld voor het onderwijs in de staatsscholen en voor stukken uitgaande van de regering. Mede omdat opeenvolgende Nederlandse regeringen zich op het standpunt stelden dat spelling geen overheidszaak is, duurde het tot 1 januari 1883 voor in Nederland een soortgelijke beslissing werd genomen. Van die datum af gold dus eenzelfde spelling van de Nederlandse taal in beide landen; een eenheid die helaas in latere jaren weer verloren zou gaan.

Intussen had het op het eerste Taal - en Letterkundig Congres van 1849 geopperde plan om, in navolging van Frankrijk en Duitsland, een uitgebreid woordenboek van de eigen taal samen te stellen, weerklank gevonden. Prof. dr. Matthias de Vries werkte het plan uit.

Na aanvaarding daarvan op het in 1851 te Brussel gehouden congres nam hij de leiding van de uitvoering daarvan op zich, daarin weldra bijgestaan door dr. L.A. te Winkel. Nadat deze beide geleerden regels voor de spelling hadden gesteld, kwam al spoedig de eerste aflevering van het Woordenboek der Nederlandsche Taal gereed. In 1882 was het eerste deel voltooid.

De heropleving van het algemeen Nederlands taalbewustzijn leidde in België in 1883 tot de eerste taalwet op het gebied van het middelbaar onderwijs, waardoor onder meer het onderwijs van de Nederlandse taal in het Nederlands in plaats van in het Frans kon worden gegeven. Belangrijke mijlpalen waren voorts o.a. de oprichting van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde in 1886, het ontstaan van de literaire beweging Van Nu en Straks in 1893 en het toekennen van dezelfde rechtskracht aan de Nederlandstalige versie van wetten en decreten als aan de Franse versie bij de zogenaamde 'Gelijkheidswet' in 1898. In 1930 volgt de vernederlandsing van de universiteit van Gent. In de daarop volgende jaren worden in België taalwetten aangenomen ter algehele vernederlandsing van bestuur, onderwijs en rechtspraak in Vlaanderen. Dit waren op zich zelf belangrijke overheidsinitiatieven. Daarbij mag men evenwel niet uit het oog verliezen dat die opleving van de moedertaal, die diep was geworteld in het Vlaamse volk, uiteindelijk was te danken aan het inzicht, de toewijding en de moed van een actieve, taalbewuste groep Vlamingen. Hun ijveren vond spoedig weerklank bij letterlievenden en cultuurhistorici, vooral in het Zuiden, maar ook in het Noorden, waar een man als professor dr. Pieter C.A. Geyl na de Eerste Wereldoorlog met zijn werk Geschiedenis van de Nederlandsche stam, de Groot-Nederlandse geschiedschrijving heeft ontwikkeld en de culturele saamhorigheid sterk heeft beïnvloed.

Ook in de eerste decennia van deze eeuw zijn er op het gebied van de spelling contacten tussen Noord en Zuid. Er worden veel, al of niet gemengde, commissies ingesteld en vele adviezen uitgebracht. Het valt daarbij op dat het nemen van eenzijdige beslissingen het streven naar eenheid niet uitsluit. De in 1883 bereikte eenheid van spelling (De Vries en Te Winkel) wordt in 1934 doorbroken door de invoering in Nederland van de spelling-Marchant. Maar in hetzelfde jaar stellen de beide regeringen een gemengde commissie in tot samenstelling van een woordenlijst. Het rapport van de commissie, dat, naar het jaar van zijn verschijnen, vooral bekend werd onder de aanduiding Rapport 1936, zou later de grondslag vormen van de leidraad van de Woordenlijst van de Nederlandse Taal, die in 1953 zou verschijnen. Rapport en woordenlijst werden samengesteld onder leiding van prof. dr. C.B. van Haeringen. Dit korte overzicht kan de indruk wekken, dat de gevolgen van de scheiding van 1648 op het gebied van de taal niet al te ernstig zijn geweest. Dat zou een misvatting zijn. Het wezenlijke, de eenheid en de levenskracht van de taal, is gebleven, maar op het gebied van het gebruik van de taal in de zuidelijke gewesten en voor de communicatie tussen Noord en Zuid zijn die gevolgen rampzalig geweest.

Terwijl na 1648 in het Noorden het Nederlands de taal wordt van een rijke natie, die wereldpolitiek bedrijft en die ook in latere jaren blijft bestaan met welvarende kooplieden, financiers en ambachtslieden, gaat het Nederlands in het Zuiden in maatschappelijk opzicht snel achteruit. Die beweging wordt nog versneld door de economische teruggang van de Vlaamse gewesten. Het Nederlands verstikt in isolement hetgeen onherroepelijk een verbasteringsproces op gang brengt en bevordert. Het Nederlands had zijn natuurlijke plaats in het maatschappelijk weefsel verloren.

Het reveil van het Nederlands in Vlaanderen aan het begin van de 19e eeuw is mede voortgevloeid uit de toen in Europa algemeen opkomende idee van de natie op grondslag van de taal. Wat het Nederlands betreft werd dit doorkruist door de Belgische revolutie van 1830. Ondanks het feit dat de Vlaamse beweging sterk de nadruk legde op de eenheid van het Nederlands en de term Nederlands zelfs gebruikt werd in de eerste taalwetten (1873,1878,1883), bleef de staatkundige scheiding toch in veel opzichten desintegrerend werken. In elk van de twee landen ontstaan op elk gebied van maatschappelijke activiteit afzonderlijke organisaties. Ook op het gebied van de taal. Elk van die organisaties heeft haar eigen besluitvormende en uitvoerende organen. In het beste geval ontmoeten vertegenwoordigers van het ene land op internationale congressen collega's van 'zuster-organisaties' uit het andere land. Meestal tracht men dan te komen tot algemeen aangenomen aanbevelingen; maar aangezien de benadering van de vraagstukken zo uiteenlopend is, worden die teksten zelden meer dan vrome wensen.

De staatkundige scheiding heeft ook gevolgen gehad voor de benaming van de taal. Zij werd nu eens met Nederlands dan weer met Vlaams aangeduid. Pas in 1973 wordt in België door de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, die is opgericht in het kader van de culturele autonomie, een decreet uitgevaardigd waarin wordt bepaald dat de taal die door de Nederlandse Cultuurgemeenschap in België wordt gebruikt officieel met de term Nederlands zal worden aangeduid, en dat, dientengevolge, in de bestaande wetten de termen Vlaams en Vlaamse taal zullen worden vervangen door de termen Nederlands en Nederlandse taal. De naam van de in 1886 opgerichte Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde werd in 1971 bij decreet gewijzigd in Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

Toch is ook nu nog aan de verwarring omtrent de benaming van de taal, binnen het taalgebied maar vooral ook daarbuiten, nog steeds geen einde gekomen.

Van 1945 tot heden
Nog gedurende de oorlog, in maart 1944 te Londen, besloten de Belgische en de Nederlandse regering te komen tot een eenvormige schrijfwijze van de Nederlandse taal. Het rapport van een terstond na het einde van de oorlog ingestelde Belgisch-Nederlandse commissie leidde tot het spellingbesluit van de Belgische regering van maart 1946 en, in Nederland, tot de spellingwet van februari 1947, waardoor de eenheid van de spelling opnieuw werd hersteld. Althans in theorie, want in de praktijk zou men op vele moeilijkheden stuiten. Voorbereid door een andere door de beide regeringen ingestelde commissie, verscheen op 25 augustus 1953 de Woordenlijst van de Nederlandse Taal, beter bekend als 'het groene boekje'. De woordenlijst en de daaraan voorafgaande leidraad werden door de beide regeringen verbindend verklaard voor die instellingen, organisaties en personen waarvoor de regeringen dit konden doen. Ook hiermede waren de moeilijkheden echter niet opgelost. Voor tal van gevallen, inzonderheid voor de spelling van de bastaardwoorden, liet de woordenlijst meer dan één spelling toe. Ondanks herhaald overleg kozen de beide regeringen niet voor dezelfde oplossing.

Het rapport van de in 1963 speciaal daarvoor ingestelde commissie leidde evenmin tot een politieke oplossing. Ook de samenwerking betreffende het Woordenboek der Nederlandsche taal en de studie van de woordenschat werd na de oorlog voortgezet.

Sinds de voltooiing van het eerste deel van het Woordenboek in 1882 hebben Belgische en Nederlandse deskundigen gestaag doorgewerkt aan het verschijnen van nog een groot aantal delen. Teneinde de financiering van deze grootse en langdurige onderneming beter te regelen en te verzekeren, werd in 1967 door de Nederlandse regering de Stichting Instituut voor de Nederlandse Lexicologie in het leven geroepen, waar onder meer de activiteiten met betrekking tot het Woordenboek werden ondergebracht naast de inrichting van een thesaurus, een woordinventaris van de Nederlandse taal. Bij de installatie van het bestuur van de stichting werd van officiële Belgische en Nederlandse zijde met spijt geconstateerd dat het om institutionele redenen niet mogelijk was gebleken een Nederlands-Belgische stichting op te richten en dat nu genoegen moest worden genomen met een Nederlandse stichting met Belgische deelneming.

Een belangrijk jaar in de culturele toenadering tussen het noordelijk en het zuidelijk deel van het Nederlandse taalgebied is 1951. Op 6 en 7 oktober van dat jaar wordt op initiatief van de Belgische regering de eerste Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren gehouden onder voorzitterschap van Herman Teirlinck. Bij de opening van de vijfentwintigste Algemene Conferentie in 1976 te Brussel werd het resultaat van deze vijfentwintig jaar samengevat als: 'een zekere integratie van wat we in de ruime zin van het woord het literaire leven van Nederland en Vlaanderen kunnen noemen'. Uit die samenwerking is onder meer de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren voortgevloeid. Deze literaire prijs, de belangrijkste in het Nederlandse taalgebied, de bekroning voor een geheel oeuvre, is ingesteld door de beide regeringen samen en wordt tijdens de conferentie beurtelings door het Belgische en het Nederlandse staatshoofd uitgereikt.

De Conferentie nam voorts het initiatief tot de jaarlijkse uitgave van de bloemlezingen het Literair, het Kritisch en het Dramatisch Akkoord. Er kwam samenwerking tot stand tussen de letterkundige musea in Noord en Zuid. Er ontstond uitwisseling van oorspronkelijke Nederlandstalige luister- en televisiespelen en televisiedramatiseringen van teksten uit de Nederlandse taal- en letterkunde en er kwamen co-produkties op dit gebied. Die samenwerking van radio en televisie is van grote invloed geweest op het besef van eenheid van de Nederlandse taal. Ook op het gebied van bibliotheek en boek werden de contacten inniger.

Door de omgang met elkaar binnen de Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren is op basis van de gemeenschappelijke taal het idee van een gemeenschappelijke cultuur tot rijping gekomen, en brak het ogenblik aan om de samenwerking op het gebied van de taal en letteren in een hechter institutioneel kader onder te brengen om het effect ervan te vergroten. Een ander terrein waarop de samenwerking resultaat heeft gehad is dat van de gemeenschappelijke bevordering van vertalingen van Nederlandse literatuur in vreemde talen. De Stichting ter Bevordering van de Vertaling van Nederlands Letterkundig Werk wordt door België en Nederland samen gesubsidieerd en de schrijvers van Noord en Zuid worden benaderd omdat zij deel uitmaken van eenzelfde taalgebied. In dit verband kunnen ook worden genoemd het Nederlands Normalisatie-lnstituut en het Belgisch Instituut voor Normalisatie. Beide zijn gezaghebbende instellingen in de wereld van industrie en techniek. Voorts zijn nieuwe initiatieven zoals het Getuigschrift Nederlands als Vreemde Taal en de Algemene Nederlandse Spraakkunst tot ontwikkeling gekomen.

Buiten de overheidssfeer hebben de academies en andere instituten en organisaties zoals het Genootschap Onze Taal, het Algemeen Nederlands Verbond, de Stichting Ons Erfdeel, de Vereniging Algemeen Nederlands (voorheen de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal) en letterkundige genootschappen in beide landen, hun krachten gegeven voor de gemeenschappelijk bevordering van de Nederlandse taal en letteren in binnen- en buitenland. Op het gebied van de Nederlandse taal en letteren is ook tussen de universiteiten in beide landen een vruchtbare wetenschappelijke samenwerking tot stand gekomen.

Voorts kan worden gewezen op de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, die in 1970 werd opgericht als voortzetting van de sinds 1960 bestaande Werkcommissie van Hoogleraren en Lectoren in de Neerlandistiek aan Buitenlandse Universiteiten.

Deze vereniging wordt door beide regeringen gefinancierd. Elke drie jaar organiseert de Vereniging een colloquium, beurtelings in België en in Nederland. Aan het jongste colloquium dat in augustus 1979 in Amsterdam werd gehouden, namen 82 docenten uit 22 landen deel. Het aantal lectoraten Nederlands aan buitenlandse universiteiten bedraagt thans ruim 140. Sinds 1972 is werkzaam de subcommissie voor Neerlandistiek van de Gemengde Commissie ter uitvoering van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag, die adviseert ten aanzien van een gemeenschappelijk beleid voor de Neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten.

Het is niet zonder opzet dat in deze Memorie al niet veel eerder melding is gemaakt van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag, dat in 1946 tussen beide landen is gesloten. Onder auspiciën van dit verdrag en op initiatief van de Gemengde Commissie ter uitvoering ervan, is zeer veel verwezenlijkt op het gebied van de culturele betrekkingen tussen België en Nederland. Het merkwaardige is evenwel dat nagenoeg alle genoemde activiteiten buiten het verdrag om zijn gegaan, ongetwijfeld als gevolg van het feit dat in het verdrag Taal, Letteren en Neerlandistiek niet worden genoemd.
Het Cultureel Verdrag van 1946 heeft een algemeen karakter, zoals culturele verdragen met andere landen. Het stelt als doel 'de goede betrekkingen tussen beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst op hechte basis te grondvesten' en noemt als middel daartoe 'de uitwisseling van hoogleraren, van leden van wetenschappelijke instellingen en van leerkrachten, het toekennen van studiebeurzen, de vestiging van culturele instellingen in elkaars land, de uitwisseling van kunstmanifestaties, samenwerking van jeugdorganisaties en de instandhouding en uitbreiding van gemeenschappelijke culturele belangen in het buitenland'. Wel werd aan het Cultureel Verdrag in mei 1958 een addendum toegevoegd, inhoudende dat de verdragsluitende partijen overleg zullen plegen omtrent alle maatregelen inzake de schrijfwijze van de Nederlandse taal. Dit overleg heeft echter een vrijblijvend karakter; het verplicht de regeringen niet tot gemeenschappelijke besluitvorming.

Adviezen van de Gemengde Commissie
De ontwikkelingen buiten het Cultureel Verdrag zijn de Gemengde Commissie ter uitvoering van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag niet ontgaan. De Commissie heeft deze vol belangstelling gevolgd, aangemoedigd en ondersteund.

Reeds in de jaren vijftig was de Commissie tot de slotsom gekomen dat nieuwe institutionele voorzieningen moesten worden getroffen om recht te doen aan de bijzondere aspecten van de Belgisch-Nederlandse culturele samenwerking. In 1962 publiceerde de Commissie een brochure getiteld: De Belgisch-Nederlandse culturele samenwerking in de naaste toekomst. In dat advies wordt onder meer geconcludeerd, dat de ontwikkeling van de Nederlandse cultuur evenzeer behoort tot de verantwoordelijkheid van de Belgische als tot die van de Nederlandse regering. Deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid houdt onder meer in: 'het scheppen van een klimaat waarin deze cultuur, ongehinderd door staatsgrenzen, gemeenschappelijke structuren en organen kan opbouwen die tegelijkertijd de uitbeelding van haar eenheid en instrumenten van haar ontwikkeling zijn'. De Commissie beval derhalve een vergaande integratie aan op het brede terrein van de Nederlandse cultuur.

Zij meende dat het hier een zo belangrijk geheel van taken betreft, dat instelling van een gemeenschappelijk Belgisch-Nederlands orgaan - een Hoge Raad - voor de behartiging daarvan wenselijk zou zijn. De suggesties van het advies zijn in de daaropvolgende jaren vele malen aangehaald, ook door bewindslieden van beide landen, maar blijkbaar was de tijd nog niet rijp voor verdere actie.

Sindsdien heeft de Commissie zich een tweede maal gebogen over het vraagstuk van de integratie. In haar advies van 1971 aan beide regeringen stelt de Commissie voor over te gaan tot de stichting van een Belgisch-Nederlandse Academie voor de Nederlandse taal.

In haar toelichting wijst de Commissie erop, dat zij met dit advies een andere weg op gaat dan met haar voorstel uit 1962. Zij voegt daaraan toe dat het nu niet meer gaat om de Nederlandse cultuur in haar geheel, maar alleen om het gebied van de Nederlandse taal en letterkunde.

Met als uitgangspunt de wezenlijke eenheid van de Nederlandse taal, ondanks de staatkundige deling, wordt het doel omschreven als: 'te bevorderen dat deze taaleenheid in alle lagen van de bevolking in Noord en Zuid wordt aanvaard en ervaren en ook buiten het Nederlandse taalgebied als zodanig wordt onderkend en gewaardeerd'. Het advies ziet een Academie enerzijds als een samenwerkingsverband tussen bestaande instellingen en organen, anderzijds als een instituut dat tot nu toe nog niet voldoende bestreken terreinen tot de zijne zal kunnen rekenen. De Commissie was van mening dat op het beperkte terrein van taal en letteren op korte termijn een gunstig resultaat kon worden bereikt.

Belgisch-Nederlandse werkgroep ad hoc
Voortbouwend op dit rapport van de Gemengde Commissie besloten de ministers van onderwijs en cultuur van beide landen op 4 februari 1974 tot de instelling van een werkgroep ad hoc, die als mandaat kreeg 'een concreet en gedetailleerd voorstel (te) ontwerpen voor een tussen België en Nederland op te richten gemeenschappelijk orgaan van advies en samenwerking op het gebied van de Nederlandse taal en letterkunde'. Het mandaat noemt de gebieden waarop het rapport van de werkgroep voorstellen moet bevatten en zegt onder meer dat het werk van het in te stellen orgaan voor samenwerking en advies breed opgevat zal kunnen worden. Het gaat om de taal als instrument van maatschappelijk verkeer. Het mandaat hield bovendien rekening met fundamentele constitutionele ontwikkelingen in België, die hebben geleid tot de grondwetswijziging van 1970. Deze geeft gestalte aan de culturele autonomie van de verschillende cultuurgemeenschappen in België, ook op het terrein van de internationale culturele samenwerking.

De werkgroep, die beurtelings werd voorgezeten door de Belgische en Nederlandse voorzitter van de Gemengde Commissie ter uitvoering van het Cutureel Verdrag, bracht op 20 december 1976 haar rapport uit, geheten: 'Ontwerp voor een Nederlandse Taalunie'.

Uit het eerste advies van de Gemengde Commissie wordt, behalve een aantal andere zaken, de gedachte overgenomen van gemeenschappelijke structuren die, ongehinderd door staatsgrenzen, tegelijkertijd symbool en instrument van de eenheid zijn. Uit het tweede advies komt voornamelijk het voorstel de integratie te baseren op de eenheid van de Nederlandse taal en letteren in plaats van op het veel vagere begrip Nederlandse beschaving of cultuur uit het eerste advies. Het rapport van de werkgroep bevat een ontwerp-verdrag en een ontwerp-memorie van toelichting inzake een Nederlandse taalunie alsmede ontwerp-statuten met toelichting voor een Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Het rapport gaat een stap verder dan de adviezen van de Gemengde Commissie, namelijk daar waar het adviseert om over te gaan tot de stichting van een Unie op het gebied van de Nederlandse Taal en Letteren. Het hoogste gezag zal komen te liggen bij een Comité van Ministers uit beide landen. Een Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren zal optreden als het adviserende orgaan van de Taalunie.

Naar aanleiding van het rapport van de werkgroep zijn van verschillende zijden adviezen ontvangen. Deze zijn ter kennisneming neergelegd ter Griffie van de Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap in België, onderscheidenlijk van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in Nederland. In februari 1979 benoemden de beide regeringen, gevolg gevend aan een suggestie van de werkgroep ad hoc, een ambtelijke begeleidingscommissie, die onder meer tot taak kreeg de ontwerp-teksten van de werkgroep bij te stellen op grond van ontvangen adviezen en overwegingen van juridische en redactionele aard. Het onderhavige Verdrag is hiervan het resultaat.

De Nederlandse Taalunie
De regeringen van beide landen hebben het voorstel tot instelling van een Nederlandse Taalunie tot het hunne gemaakt. Zij vertrouwen erop met de verwezenlijking daarvan de eenheid van de Nederlandse taal en letteren, als gevolg van staatkundige scheiding zo lang bedreigd, te bevestigen en te bevorderen, zowel in de onderlinge samenwerking tussen hun landen als ten opzichte van het buitenland. De regeringen zijn er daarbij van uitgegaan dat de Nederlandse taal een ondeelbaar cultureel erfgoed is van alle Nederlandssprekenden en een onvervangbaar instrument in het maatschappelijk, wetenschappelijk, cultureel en literair verkeer in en tussen beide landen. Eenzijdige nationale beslissingen zouden die ontwikkeling en die maatschappelijke functie slechts kunnen schaden. Zij zijn er zich daarbij van bewust dat de bevestiging van de eenheid van een taalgebied door middel van een verdrag tussen de betrokken landen iets geheel nieuws is in het internationale verkeer. Zij zijn er echter van overtuigd dat, wil de Nederlandse beschaving haar eigen bijdrage kunnen blijven leveren aan de groeiende Europese en mondiale samenwerking, zij haar culturele eigenheid zal dienen te bewaren en te versterken. Harmonisatie en integratie op een zo belangrijk cultureel gebied als de taal en letteren achten zij daarom een dwingende en dringende noodzaak. Om die redenen zijn de regeringen van mening dat voortaan de zorg voor de Nederlandse taal en letteren het voorwerp moet uitmaken van één gemeenschappelijk beleid.

Dit Verdrag wil de samenwerking publiekrechtelijk institutionaliseren; het wil het vrijblijvende overleg vervangen door vaste afspraken en gemeenschappelijke beslissingen.

Integratie op het gebied van de taal en letteren als inhoudelijk doel van de Taalunie is in artikel 2, eerste lid, dan ook bewust gekozen omdat de Taalunie een wezenlijke stap verder betekent dan de samenwerking zoals die tot nu toe heeft bestaan.
Artikel 2, tweede lid, geeft aan op welke terreinen deze integratie gestalte moet krijgen, namelijk de taal en letteren als onderwerp van wetenschap, de letteren als vorm van kunst, de taal als communicatiemiddel van de wetenschappen, de taal als medium van de letteren, het onderwijs van de taal en van de letteren, en meer in het algemeen, de taal als instrument van maatschappelijk verkeer. Het instellen van de Taalunie zal niet in één keer alle belemmeringen opheffen die het vrije onderlinge verkeer op cultureel en maatschappelijk gebied in de weg staan. Alleen al de vele afzonderlijke regelingen van nationale aard blijven de gescheiden ontwikkeling van de taal en van taalkundige instellingen in België en Nederland beïnvloeden. Slechts door de wetgeving en reglementering in beide landen op elkaar af te stemmen zal het beoogde doel kunnen worden benaderd.

De beide regeringen verplichten zich bij het instellen van de Taalunie tot het nemen van gemeenschappelijke beslissingen in de aangelegenheden die in het Verdrag zijn bepaald (artikel 4).

Voorts nemen zij op zich een aantal activiteiten te bevorderen of aan te moedigen in de sectoren waar zij geen eigen directe bevoegdheid hebben handelend op te treden (artikel 5).

Uiteraard ligt het niet in de bedoeling dat de Taalunie activiteiten van bestaande instellingen of organisaties tot zich trekt.

Integendeel: waar dit wenselijk en mogelijk is zal zij, met inachtneming van haar coördinerende taak, uitvoerende taken via haar Algemeen Secretariaat toevertrouwen aan bestaande, daartoe geschikte instellingen, instituten enz. Gemeenschappelijke instellingen van taal en letteren zullen via de Taalunie kunnen worden gesubsidieerd.

Bij dit alles spreekt het vanzelf dat het geenszins in de bedoeling ligt afbreuk te doen aan de bestaande dialectische verscheidenheid in beide landen, die een eigen waarde heeft en bijdraagt tot verrijking van de algemene cultuurtaal, noch aan het beleid van de onderscheiden regeringen in deze.

 

Het Verdrag

Doelstelling (artikelen 2,3,4 en 5)
Om de Taalunie te verwezenlijken achten de regeringen het nodig het gemeenschappelijk beleid op het gebied van de taal en letteren tussen beide landen bij verdrag vast te leggen. Het Verdrag voorziet zowel in een gemeenschappelijk en bindend beleid op het gebied van taal en letteren, als in de stichting van gemeenschappelijke organen voor samenwerking en advies op de gebieden die het Verdrag bestrijkt. De werking van het Verdrag strekt zich uit over Nederland en de Nederlandstalige gemeenschap in België.

De Verdragsluitende Partijen gaan onder meer de verbintenis aan de spelling en de spraakkunst van de Nederlandse taal gemeenschappelijk te bepalen. Waar dit binnen de bevoegdheid van de Verdragsluitende Partijen ligt, verbinden zij zich ook verder tot een harmonisatie en integratie van hun beleid, zoals het bepalen van een gelijke terminologie op het gebied van de wetgeving en officiële publikaties, het gebruik van de Nederlandse taal in internationaal verband, de ondersteuning van particuliere initiatieven op het gebied van woordenboeken en grammatica's en het bepalen van de toetsstenen voor het behalen van het Getuigschrift Nederlands als Vreemde Taal alsmede het toekennen van dat Getuigschrift.

Daarnaast zullen de Verdragsluitende Partijen gezamenlijk optreden waar dat mogelijk en wenselijk is, zonder te vervallen in overheidsdirigisme op gebieden waar ruimte voor vrije ontwikkeling gewaarborgd moet blijven, uiteraard in het bijzonder waar deze wettelijk is geregeld zoals bijvoorbeeld op het gebied van het onderwijs.

Het betreft hier onder meer het gezamenlijk bevorderen van het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de Nederlandse taal en letteren, het onderwijs in de Nederlandse taal en letteren, het verantwoord gebruik van de Nederlandse taal, in het bijzonder in het onderwijs en in het ambtelijk verkeer, de instelling van databanken op het gebied van de terminologie, het opstellen van woordenlijsten, als ook het onderwijs in de Nederlandse taal, letteren en cultuurgeschiedenis in het buitenland, vooral in die gebieden waar het Nederlands van oudsher als moedertaal of als voertaal in gebruik is.

Het Verdrag geeft naast specifiek omschreven terreinen van bindende samenwerking (artikel 4) een kader waarbinnen de regeringen een algemene politiek inzake taal en letteren kunnen voeren (artikel 5). Zo'n kader is belangrijk, want men kan niet in details vooruitlopen op de richting en de vorm van een dergelijke politiek in al haar uitvoerende aspecten. In het bijzonder zal de samenwerking ruimte moeten laten voor initiatieven ten opzichte van nieuwe maatschappelijke vraagstukken waarvoor de Nederlandse taalgemeenschap kan worden gesteld. Bij wijze van voorbeeld kan het bevorderen van de taalkennis van anderstalige inwoners worden genoemd.

Het Verdrag laat de mogelijkheid van associatie van derde landen toe. Met name is hier gedacht aan landen waar de Nederlandse taal hetzij landstaal is, hetzij van oudsher of cultuurhistorisch van betekenis is.

Organen van de Taalunie (artikel 6)
Met de verwezenlijking van de genoemde doelstellingen en de uitvoering van de beoogde activiteiten van de Taalunie zijn verscheidene organen belast, waarvan de bevoegdheden door het Verdrag worden omschreven. Deze organen zijn: het Comité van Ministers, de Interparlementaire Commissie, de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren en het Algemeen Secretariaat.

Het Comité van Ministers (artikelen 7,8 en 9)
Het Comité van Ministers bestaat uit tenminste twee Belgische en twee Nederlandse leden van de onderscheiden regeringen, bij voorkeur de ministers die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor onderwijs en cultuur.

Wel is de mogelijkheid open gelaten dat andere ministers worden uitgenodigd om aan de vergadering van het Comité deel te nemen. Elk van de Verdragsluitende Partijen beschikt over één stem en beslissingen kunnen dus alleen bij eenstemmigheid worden genomen. Het Comité van Ministers is het bestendige beleidvoerende orgaan van de Taalunie, dat de zorg heeft voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Het wint in alle zaken die het Verdrag betreffen het advies in van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Het ontvangt rechtstreeks de adviezen die door de Raad worden uitgebracht, neemt daarover besluiten en houdt toezicht op de uitvoering daarvan. De vergaderingen van het Comité van Ministers worden beurtelings door een Belgisch of Nederlands lid voorgezeten.

Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden wordt het Comité bijgestaan door het Algemeen Secretariaat van de Unie. Met de reeds gehouden besprekingen tussen de betrokken Belgische en Nederlandse ministers is een gebruik gegroeid waarvan dit Comité van Ministers in sommige opzichten de voortzetting zou kunnen worden genoemd.

De Interparlementaire Commissie (artikelen 10 en 11)
De nauwe samenwerking tussen de twee regeringen, die gestalte krijgt in het Comité van Ministers, maakt het wenselijk dat ook de parlementen het bestaande overleg institutionaliseren. Daarom is gekozen voor een Interparlementaire Commissie inzake de Taalunie. De regeringen achten het vanzelfsprekend, dat de parlementen de samenstelling en werkwijze van deze Interparlementaire Commissie zelf bepalen. In feite wordt hiermee voortgebouwd op wat reeds op initiatief van de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap in België en de Staten-Generaal in Nederland tot stand is gekomen.

De Interparlementaire Commissie fungeert aldus als het orgaan van toezicht van de beide parlementen op de werking van de unie.

De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (artikelen 12 en 13)
Het Verdrag voorziet in een orgaan van samenwerking en advies, genaamd 'Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren'. De Raad is de stuwende kracht van de Unie. Het Comité van Ministers kan geen beslissingen nemen dan na het advies van de Raad te hebben ingewonnen. Daarmee geven de regeringen blijk van de belangrijke maatschappelijke en wetenschappelijke rol die aan dit college van deskundigen wordt toegedacht. In tegenstelling tot de functie van een wetenschappelijke academie is die van de Raad meer gericht op praktische beleidskwesties. De Raad kan evenwel een beroep doen op andere instellingen en op particulieren; zo nodig kan hij speciale commissies in het leven roepen.

De Raad heeft tot taak desgevraagd of uit eigen beweging adviezen uit te brengen en maatregelen voor te stellen aan het Comité van Ministers met betrekking tot de doelstellingen en beleidsvoornemens van de Unie. Hij verenigt personen die wegens hun deskundigheid of activiteit kunnen bijdragen tot de verwezenlijking ervan.

De Raad zal ook een belangrijke coördinerende taak moeten vervullen ten opzichte van de vele instellingen, instituten en organisaties die zich op het gebied van taal en letteren bewegen.

De Raad zal ten behoeve van het Comité van Ministers het geheel van activiteiten kunnen overzien en, zowel ten aanzien van de gemeenschappelijke als van de afzonderlijke nationale instituten, de onderlinge coördinatie kunnen bevorderen en de aandacht vestigen op onevenwichtigheden en leemten. De Raad dient ernaar te streven dat initiatieven zo veel mogelijk een gemeenschappelijke opzet krijgen en dat de werking en instandhouding van bestaande instellingen worden ondersteund of bevorderd.

De Raad heeft een Algemene Vergadering en een Bestuur; hij kan voorts Commissies instellen. De werkwijze van de Raad wordt geregeld in zijn statuten, die worden vastgesteld door het Comité van Ministers.

De regeringen hebben wel reeds ingestemd met een voorstel inzake samenstelling en werkwijze van de Raad, zoals deze naar hun inzichten zou dienen te functioneren. Dit is vastgelegd in een ontwerp van statuten dat te zijner tijd door het Comité van Ministers moet worden goedgekeurd.

Het Algemeen Secretariaat (artikel 14)
Het Algemeen Secretariaat neemt een centrale plaats in. Het is het orgaan dat het beleid van de Taalunie voorbereidt en dat de beslissingen van de bevoegde organen uitvoert. Het staat ten dienste van het Comité van Ministers en desgewenst van de Interparlementaire Commissie. Het is het bestendige apparaat ten behoeve van de Raad. De leiding van het Algemeen Secretariaat berust bij de Algemeen Secretaris.

Het Comité van Ministers benoemt, schorst en ontslaat de Algemeen Secretaris na terzake het oordeel van de Raad te hebben ingewonnen. Eveneens de Raad gehoord stelt het Comité van Ministers de personeelsformatie van het Algemeen Secretariaat vast. Binnen dat kader benoemt en ontslaat de Algemeen Secretaris het overige personeel van het Algemeen Secretariaat.

Plaats van vestiging van de Taalunie (artikel 15)
Hierover zal worden beslist door het Comité van Ministers.

Financiering (artikelen 16 en 17)
De Taalunie zal eenzelfde rechtsbevoegdheid krijgen als op eigen grondgebied wordt verleend aan gelijksoortige instellingen. Bovendien wordt het verlenen van faciliteiten en immuniteiten ten gerieve van de Taalunie geregeld in een afzonderlijk later af te sluiten Protocol.

De ontwerp-begroting van de Taalunie wordt voorbereid door de Algemeen Secretaris, vastgesteld door de Raad en goedgekeurd door het Comité van Ministers. De gelden voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Taalunie worden door de beide regeringen verstrekt. Het ligt voor de hand daarbij de reeds eerder toegepaste regeling te hanteren, volgens welke de jaarlijkse subsidies van de Belgische en Nederlandse regering zich verhouden als 1 : 2, gezien de getalsverhouding der Nederlandssprekenden in beide landen.

In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het Comité van Ministers een andere regeling treffen.

Geschillen (artikel 18)
In geval van geschil wordt de zaak verwezen naar een arbitragecommissie. Bij geschillen met derden wordt de zaak beslecht voor de bevoegde rechter.

Territoriale toepassing (artikel 19)
De regering van de Nederlandse Antillen is van mening dat de werking van het Verdrag zich voorshands zou kunnen beperken tot Nederland.

Zij bestudeert nog in hoeverre het zinvol zou zijn om te zijner tijd gebruik te maken van de in het tweede lid van artikel 19 opgenomen mogelijkheid om de werking van het Verdrag uit te breiden tot de Nederlandse Antillen. Teneinde de procedure voor een eventuele uitbreiding van de gelding te zijner tijd te vergemakkelijken wordt thans reeds goedkeuring voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Associatie van derde landen (artikel 20)
In beginsel laat het Verdrag de mogelijkheid open associatieovereenkomsten te sluiten. In de eerste plaats wordt hier gedacht aan landen die nauw met de Nederlandse taal en cultuur verbonden zijn. Elke associatieovereenkomst zal vooraf de afzonderlijke instemming van de Verdragsluitende Partijen moeten hebben.

Duur en wijziging (artikelen 21 en 22)
Het Verdrag wordt in beginsel voor onbepaalde tijd gesloten. De minimumduur is tien jaar. Wijziging kan plaatsvinden volgens de procedure die in artikel 22 is omschreven.