Rapport Variatie in het Nederlands

Rapport Variatie in het Nederlands: eenheid in verscheidenheid Taalvariatiebeleid in Taalunieverband

Beleidsadvies opgesteld door de Werkgroep Variatiebeleid van de RNTL (mei 2003)

 

  1. Inleiding
    1. Reikwijdte van het advies
    2. Positionering van het advies
    3. Opdracht en samenstelling van de Werkgroep Variatiebeleid
  2. Algemene beschouwingen
    1. Variatie als taalkundig fenomeen
    2. Standaardnederlands
    3. Niet-standaardvariëteiten
    4. Taalvariatie en taalbeleid
  3. Uitgangspunten voor taalvariatiebeleid
  4. Adviezen
    1. Adviezen ten aanzien van Standaardnederlands
    2. Adviezen ten aanzien van niet-standaardvariëteiten
    3. Acties gericht op het publiek
  5. De rol van de Nederlandse Taalunie

1 Inleiding

1.1 Reikwijdte van het advies

Het onderhavige advies over beleid op het gebied van taalvariatie heeft betrekking op (de verschillende verschijningsvormen van) het Nederlands als gesproken en geschreven taal. Dat impliceert dat andere vormen van taal, zoals gebarentaal, buiten beschouwing blijven. Dit advies betreft alle verschijningsvormen van het Nederlands die gebruikt worden in Nederland en België, waar het Nederlands als officiële taal erkend is. Het betreft zowel variatie binnen de standaardtaal als variatie die tot uitdrukking komt in dialecten, regiolecten en sociolecten van het Nederlands zoals gebruikt in België en Nederland.

Het Nederlands in Suriname en het Nederlands op de Nederlandse Antillen en Aruba worden buiten dit advies gehouden. Met Suriname, het derde land in de wereld waar Nederlands officiële taal is, wordt conform het bepaalde in Artikel 20 van het Taalunieverdrag momenteel door de Nederlandse Taalunie het sluiten van een associatieovereenkomt voorbereid. Behalve de formele positie en participatie van Suriname in de organen van de Taalunie is daarbij de vraag cruciaal hoe het land kan aansluiten bij lopende Taalunieactiviteiten en welke op Suriname toegespitste Taalunieactiviteiten tot de mogelijkheden behoren. Het ligt in de rede dat, na het sluiten van de beoogde associatieovereenkomst, in het kader van taalvariatiebeleid in ieder geval ook het Nederlands zoals dat gebruikt wordt in Suriname als een voorwerp van zorg en beleid van de Taalunie zal worden aangemerkt. Veel van wat in dit advies te berde wordt gebracht over status-, corpus- en acquisitieplanning van het Nederlands Nederlands en het Belgisch Nederlands geldt dan mutatis mutandis ook voor het Surinaams Nederlands.

Ten aanzien van de Nederlandse Antillen en Aruba bepaalt het Taalunieverdrag in Artikel 19 uitdrukkelijk dat, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de werking van het Verdrag beperkt is tot het Rijk in Europa. Wel kan het Verdrag tot de Nederlandse Antillen en Aruba worden uitgebreid door middel van een diplomatieke notawisseling. Tot dusver is dat niet het geval geweest.1

Het Fries komt in dit advies niet aan de orde. Het Fries neemt in Nederland een bijzondere plaats in doordat het officieel erkend is als aparte taal. Als zodanig valt het Fries niet onder de beleidsbevoegdheid van de Nederlandse Taalunie.

1.2 Positionering van het advies

Taalvariatie is de afgelopen jaren herhaaldelijk onderwerp van gesprek en advisering geweest in de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. De Raad heeft conform Artikel 3 van zijn statuten tot taak "aan het Comité van Ministers te adviseren over de hoofdlijnen van het beleid van de Nederlandse Taalunie" en "desgevraagd of uit eigen beweging adviezen uit te brengen aan derden op het terrein van de Nederlandse taal en letteren, indien hij dit voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Taalunie gewenst acht". Deze statutaire taak heeft de Raad, voorzover het het onderwerp taalvariatie betreft, geconcretiseerd in drie recente adviezen. Het betreft achtereenvolgens het Raadsadvies inzake de erkenning van het Zeeuws als regionale taal van 26 juli 2001, het Raadsadvies inzake taalbeleid in Europees perspectief van 14 augustus 2001 en het Raadsadvies over het meerjarenbeleid van de Nederlandse Taalunie 2003-2007 van 3 september 2001.

In zijn advies over taalbeleid in Europees perspectief beveelt de Raad o.a. aan "dat de Taalunie onderzoekt of er voldoende draagvlak te vinden is bij zusterinstellingen in andere Europese landen en/of taalgebieden voor een gemeenschappelijke actie die zou moeten leiden tot waardering van taalvariatie, al dan niet in relatie tot het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden" (Aanbeveling 3) en "dat de Taalunie bevordert dat er in het schoolcurriculum elementen worden ingevlochten die ertoe leiden dat tolerantie en waardering ontstaan voor niet-dominante taalvormen en cultuurpatronen, mede met het oog op de bevordering van interculturele communicatie" (Aanbeveling 18). In zijn advies over de erkenning van het Zeeuws als regionale taal heeft de Raad zich op basis van de formulering van het Handvest en op taalwetenschappelijke gronden enerzijds uitgesproken tegen een dergelijke erkenning maar tegelijkertijd een lans gebroken voor de bescherming van dialecten op een wijze die vergelijkbaar is met die in het Handvest. In zijn advies over het meerjarenbeleid van de Nederlandse Taalunie 2003-2007 ten slotte constateert de Raad dat in de hoofdlijnen van beleid het eerder door hem bepleite taalvariatieperspectief goeddeels ontbreekt en adviseert hij "bij de uitwerking van de beleidsterreinen dit variatieperspectief te betrekken, niet als zelfstandige prioriteit, maar als aandachtspunt binnen alle werkterreinen". Bij deze gelegenheid spreekt de Raad tevens zijn bereidheid uit "om te adviseren over de uitwerking van het variatiebeleid".

Tijdens zijn extra vergadering op 14 januari 2002 heeft het Comité van Ministers het Raadsadvies Naar een samenhangend taalbeleid voor het Nederlands vanuit Europees perspectief besproken. Mede op verzoek van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie stelde het Comité van Ministers in dat verband vast "dat over het begrip 'taalvariatie' en een mogelijk taalvariatiebeleid nadere gedachtevorming noodzakelijk is" en dat het daarom "de Raad verzoekt om over dit onderwerp nader advies uit te brengen."2 Van een overkoepelend en conceptueel helder uitgeklaard perspectief op het verschijnsel taalvariatie als uitgangspunt voor advisering is in de tot dusver geformuleerde adviezen nog nauwelijks sprake. Voor de nadere uitwerking van een taalvariatiebeleid in Taalunieverband zoals door het Comité van Ministers gevraagd, is een dergelijk perspectief echter onontbeerlijk. Tegen deze achtergrond heeft de Raad het wenselijk geacht ter voorbereiding van een dergelijk advies een Werkgroep Variatiebeleid in te stellen.

Richtinggevend bij het advieswerk van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren en door hem ingestelde werkgroepen is het verdrag waarbij de Nederlandse Taalunie in 1980 werd ingesteld. Dit Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Nederlandse Taalunie, dat de werkterreinen en de doelstellingen van de Taalunie aangeeft, formuleert in Artikel 2.1 als algemene doelstelling van de Taalunie "de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin" (Verdrag, p.10). Artikel 2.2 specificeert het aangeduide gebied als volgt: "de taal en letteren als onderwerp van wetenschap, de letteren als vorm van kunst, de taal als communicatiemiddel van de wetenschappen, de taal als medium van de letteren, het onderwijs van de taal en van de letteren en, meer in het algemeen, de taal als instrument van maatschappelijk verkeer" (ibid.). In Artikel 3 wordt de algemene doelstelling van de Taalunie in een aantal deeldoelstellingen uiteengelegd. Het betreft: "(a) de gemeenschappelijke ontwikkeling van de Nederlandse taal; (b) de gemeenschappelijke bevordering van de kennis en het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal; (c) de gemeenschappelijke bevordering van de Nederlandse letteren; (d) de gemeenschappelijke bevordering van de studie en verspreiding van de Nederlandse taal en letteren in het buitenland" (ibid.). De Artikelen 4 en 5 tot slot bevatten een hele reeks verplichte, respectievelijk optionele samenwerkingsonderwerpen en -activiteiten.

In het Taalunieverdrag is sprake van 'de' Nederlandse taal als voorwerp van beleid. De Raad en de Werkgroep Variatiebeleid vatten de Nederlandse taal nadrukkelijk op als een geheel van verschijningsvormen van het Nederlands en beschouwen taalvariatie daarom per definitie als object van Taaluniebeleid en dus van advisering door de Raad.

Uit de aard van het verdrag zelf vloeit ten slotte voort dat de Nederlandse Taalunie, als enige Vlaams-Nederlandse beleidsorgaan in taalzaken, de meest voor de hand liggende instantie is voor het voeren van een gezamenlijk beleid op dit specifieke terrein.

1.3 Opdracht en samenstelling van de Werkgroep Variatiebeleid

De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren heeft de Werkgroep Variatiebeleid in 2002 ingesteld. De opdracht van deze uit Raadsleden en externe deskundigen bestaande werkgroep, die zijn constituerende vergadering hield op 16 mei 2002, was te komen tot een advies over taalvariatiebeleid in het Nederlandse taalgebied dat het uitgangspunt zou kunnen vormen voor toekomstig beleidsmatig handelen in dezen door het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie.

De Werkgroep Variatiebeleid bestond uit prof. dr. Hans Bennis (voorzitter; Meertens Instituut KNAW), dr. Walter Haeseryn (secretaris; Katholieke Universiteit Nijmegen), prof. dr. Magda Devos (Universiteit van Gent), prof. dr. Marinel Gerritsen (Katholieke Universiteit Nijmegen; lid RNTL), prof. dr. Toon Hagen (emeritus), dr. Sjaak Kroon (Universiteit van Tilburg; lid RNTL), prof. dr. Jan Walravens (Haute École de la Ville de Bruxelles Francisco Ferrer; lid RTNL). Lic. Johan Van Hoorde woonde als waarnemer namens de Nederlandse Taalunie de vergaderingen van de Werkgroep bij.

Dit advies is het resultaat van discussies in de werkgroep in het najaar van 2002 en het voorjaar van 2003.

2 Algemene beschouwingen

2.1 Variatie als taalkundig fenomeen

Een fundamentele vorm van sociaal gedrag is communicatie. Daarmee treden mensen als individu of als groep met elkaar in contact. Van de middelen om communicatie tussen mensen tot stand te brengen, is taal ongetwijfeld het belangrijkste. Zonder taal is het omgaan van mensen met elkaar en samenwerking nauwelijks voorstelbaar. In het functioneren van taal zijn twee essentiële aspecten te onderscheiden. Enerzijds dient taal als communicatief systeem een praktisch doel: ze regelt de onderlinge verstaanbaarheid tussen de leden van de taalgemeenschap. Taal bindt de leden van een gemeenschap echter ook nog op een andere manier: ze heeft een belangrijke functie als symbool van eenheid en eigenheid van een groep. Taal fungeert anders gezegd ook als middel voor een individu om zich te identificeren met een bepaalde (sociale, culturele, enz.) groep.

Het Nederlands kent een veelheid aan verschijningsvormen. Dit hangt samen met de heterogene samenstelling van de gemeenschap. Net zoals er in een pluriforme en in toenemende mate multiculturele samenleving allerlei opvattingen, gebruiken, omgangs- en uitdrukkingsvormen voorkomen - anders gezegd: net zoals er politieke, sociale en culturele variatie is -, zo is ook op het gebied van taal variatie een normaal maatschappelijk verschijnsel.

Wat men 'het' Nederlands noemt, is in feite een verzameling van historisch en structureel onderling nauw samenhangende taalvariëteiten. Onder 'taalvariëteit' verstaat men in de taalwetenschap een verschijningsvorm van een taal met een aantal eigen kenmerken. (De concrete realiseringen van variabele kenmerken - woorden, constructies, uitspraakkenmerken - noemt men 'varianten'.) Taalvariëteiten kunnen geografisch, sociaal, etnisch of situationeel bepaald zijn. Zo zijn bijv. de dialecten van Brugge, Kerkrade of Groningen, streektalen als het Nedersaksisch, vormen van Nederlands gesproken door allochtonen van de tweede generatie, door autochtonen gebruikte tussentalen, jongeren- en groepstalen en het Nederlands gesproken in Suriname allemaal variëteiten van het Nederlands. Een dergelijke open en brede definitie van 'het' Nederlands is gangbaar in de taalwetenschap. Het gaat om een geheel van nauw verwante verschijningsvormen met een aantal gemeenschappelijke kenmerken, maar ook met onderlinge verschillen.

2.2 Standaardnederlands

Van de verschillende taalvariëteiten van een taal is er gewoonlijk een die een overkoepelende functie heeft en gestandaardiseerd is. Die taalvariëteit noemt men de standaardtaal, in het geval van het Nederlands spreekt men van het Standaardnederlands. Gestandaardiseerd zijn van een variëteit houdt in (1) dat de variëteit in kwestie gecodificeerd is, d.w.z. dat het lexicon, de uitspraak en de grammatica ervan beschreven/vastgelegd zijn in resp. woordenboeken, uitspraakwoordenboeken en grammatica's, (2) dat die codificering als richtlijn geldt voor het 'goede gebruik' (normbepalend is), en (3) dat die variëteit gebruikt wordt in - althans geïntendeerd wordt als norm voor - het zogenaamde publieke domein, d.w.z. in alle belangrijke sectoren van het openbare leven: bestuur en administratie, rechtspraak, onderwijs, media, enz.

Standaardtaal is het product van een langdurig en continu proces van standaardisering, waarbij onder meer de machtsverhoudingen binnen een gemeenschap een belangrijke rol spelen. Standaardisering (of standaardtaalnormering) komt (min of meer onbewust) tot stand in een complex maatschappelijk proces, maar kan voor een deel ook gestalte krijgen door bewuste sturing en vormen van overheidsbeleid. In die zin is (standaard)taal beperkt maakbaar. Men spreekt in dat geval van taalplanning, die betrekking kan hebben op de status, het corpus en de acquisitie van (standaard)taal. Statusplanning betreft het toekennen of uitbreiden van functies van een taal, bij corpusplanning gaat het om het codificeren van een taal, bij acquisitieplanning om het uitbreiden van het aantal gebruikers van een taal door onderwijs en diverse vormen van taaladvisering.

Standaardtaal is geen monolithisch geheel. Binnen standaardtaal kan een onderscheid gemaakt worden enerzijds tussen geschreven en gesproken taal, anderzijds tussen een formeel en een informeel taalregister. Een dergelijke gedifferentieerdheid is eigen aan iedere standaardtaal. Wat het proces van standaardisering betreft, moet geconstateerd worden dat de Nederlandse standaardtaal, net als de meeste andere westerse talen, historisch beschouwd ten nauwste verbonden is met schriftelijkheid. Standaardisering en normering zijn primair met betrekking tot geschreven taal totstandgekomen.

Net zoals dat in andere taalgebieden het geval is, is er ook in het Nederlandse taalgebied op het vlak van de standaardtaal sprake van variatie die nationaal gebonden is. Het Nederlands heeft de status van officiële taal in Nederland en België. Het standaardtaalgebruik van Vlamingen en dat van Nederlanders vertonen onmiskenbaar verschillen, vooral op het gebied van de uitspraak en het lexicon, in (aanzienlijk) mindere mate ook op het gebied van de grammatica. Die talige verschillen zijn het gevolg (1) van een gescheiden historische en maatschappelijke ontwikkeling en daarmee samenhangende culturele verschillen en (2) van een dynamiek in de standaardisering waarbij elk land gericht is op een eigen normbepalend centrum. ('Centrum' dient hier niet louter in geografische zin opgevat te worden. Het kan ook gaan om een bepaalde institutie waarnaar men zich richt, zoals de landelijke media.)

Ook al is er geen reden om de verschillen uit te vergroten - verreweg het grootste deel van de woorden, vormen en constructies zijn gemeenschappelijk - en te spreken van verschillende standaardtalen, toch kan de realiteit van die verschillen (en het ontstaan van nieuwe verschillen, met name op het gebied van uitspraak en op het lexicale terrein) niet ontkend worden. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met de symbolische functie die taal vervult in het bepalen van de eigen (nationale) identiteit. Die verschillende woorden, vormen, constructies, uitspraakkenmerken kunnen dan aangeduid worden resp. als Belgisch Nederlands (d.i. behorend tot de Nederlandse standaardtaal zoals die in het Belgische staatsverband - niet alleen in Vlaanderen, maar ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - gebruikt wordt in het publieke domein3) en Nederlands Nederlands (d.i. behorend tot de Nederlandse standaardtaal zoals die in Nederland gebruikt wordt in het publieke domein). In deze terminologie komt goed de eenheid in verscheidenheid tot uitdrukking. Met nadruk willen we erop wijzen dat er dus wel degelijk sprake is van één standaardtaal, maar dat die principiële eenheid geen volstrekte uniformiteit inhoudt of hoeft in te houden.

In de geschreven standaardtaal en het daar dicht bij aansluitende formele register van gesproken taal - het gaat vaak om voorgelezen geschreven taal - is de eenheid binnen het taalgebied, anders gezegd de gemeenschappelijkheid van de norm, het grootst. Er is hier sprake van een hoge mate van convergentie. In de meer informele registers, met name in de gesproken taal, daarentegen laat de gemeenschappelijkheid van de norm zich het minst gelden en valt er veeleer een zekere divergentie waar te nemen.

2.3 Niet-standaardvariëteiten

Binnen het Nederlandse-taalgebied treffen we een hoge mate van variatie buiten de standaardtaal aan. De brede verscheidenheid van niet-standaardvariëteiten omvat naast de traditionele dialecten ook allerlei vormen van Nederlands die zich taalkundig gesproken bevinden in de ruimte tussen traditioneel dialect en standaardtaal. Al deze variëteiten spelen een belangrijke rol in het domein van de informele communicatie, en vormen de uitdrukking van regionale en sociale saamhorigheid.

Onder de niet-standaardvariëteiten van het Nederlands nemen de dialecten een prominente plaats in, vanwege hun lange geschiedenis, hun cultuurhistorische waarde, en de rol die ze spelen in de regionale communicatie, vooral buiten het publieke domein.

Dialecten zijn volwaardige taalsystemen, met een eigen grammatica en een eigen lexicon. Gedurende vele eeuwen hebben ze zich spontaan ontwikkeld in het mondelinge gebruik, zonder van bovenaf opgelegde voorschriften. Dialecten vormen daardoor een belangrijke component van het immateriële culturele erfgoed van de autochtone bevolking in Nederland en in Vlaanderen.

Hoewel de traditionele dialecten als gevolg van de snelle maatschappelijke ontwikkeling sinds het midden van de 20ste eeuw onder druk zijn komen te staan, vervullen ze in de meeste regio's van ons taalgebied een belangrijke rol in de informele communicatie op lokale en regionale schaal, en worden ze door een aanzienlijk segment van hun sprekers gepercipieerd als markeerders van regionale identiteit en solidariteit. Naast de traditionele dialecten signaleren we het bestaan c.q. de opkomst van andere taalvariëteiten, zoals regiolecten, stadstalen en etnische variëteiten van het Nederlands.

Ook hier weer wijst het bestaan van taalvariatie op grote schaal erop dat taal meer doelen dient dan alleen maar een optimale communicatie in een uniforme taal. Taal is ook een sociaal verschijnsel dat een rol speelt bij groepsvorming, identiteit en nationaliteit.

2.4 Taalvariatie en taalbeleid

Taalbeleid bevindt zich in het spanningsveld tussen taalpolitiek en talige werkelijkheid. Dat wil zeggen dat er een onderscheid gemaakt kan worden tussen een streven naar indammen van variatie en uitbreiding van de functies van standaardtaal - dat is noodzakelijk in een proces van standaardisering - en variatie als realiteit. Het gaat hier om twee verschillende perspectieven vanwaaruit taalbeleid kan worden bekeken, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een absolute tegenstelling.

Vanuit taalpolitiek perspectief hebben we te maken met een bepaald ideaal dat nagestreefd wordt: de eenheid van de standaardtaal in Nederland en België. Dat uitgangspunt ligt ook in de geest van de doelstellingen van de Nederlandse Taalunie, al staat het nastreven van het ideaal van één gemeenschappelijke (laat staan uniforme) norm niet met zoveel woorden in het Taalunieverdrag. Taalpolitiek gezien is er derhalve sprake van een gemeenschappelijke norm zoals weerspiegeld (anders gezegd: gecodificeerd) in woordenboek, grammatica, uitspraakwoordenboek of uitspraakleer en spelling (waarvan alleen het laatste een wettelijke basis heeft, prescriptief is). Spelling kan hier verder buiten beschouwing blijven aangezien die louter conventioneel is.4

Vanuit (socio)linguïstisch perspectief hebben we daarentegen te maken met allerlei soorten variatie in (standaard)taalgebruik, die samenhangen met sociologische en culturele verschillen tussen delen van de bevolking (het verschil in (standaard)taalgebruik tussen Nederland en België is daar maar één, zij het prominent, voorbeeld van). Het sociolinguïstische standpunt gaat uit van de dynamiek van taal als een levend organisme dat zich aanpast aan veranderende omstandigheden en communicatieve behoeften en van de wetenschap dat taal tevens een rol speelt in sociaal-culturele processen die te maken hebben met groepsvorming en identiteit.

Het perspectief van waaruit men vertrekt heeft consequenties voor de beleidskeuzes ten aanzien van taalvariatie. In een strikte toepassing van een op maximale eenheid gerichte taalpolitiek, waarbij variabiliteit als een ongewenste divergente kracht beschouwd wordt, zal het bevorderen van de toename van convergentie (vooral, maar niet uitsluitend in het formele domein) een belangrijk beleidsdoel zijn.

Het perspectief dat uitgaat van variabiliteit als een natuurlijk fenomeen, zal veeleer leiden tot een niet-restrictief beleid waarin bijv. op het terrein van de verschillen tussen Nederland en België gestreefd wordt naar een principiële erkenning van het bestaansrecht van nationaal gebonden lexicale, fonologische en grammaticale kenmerken (varianten dus) en een gelijkwaardige behandeling van die varianten onder meer in de praktijk van de taalbeschrijving in woordenboeken, uitspraakwoordenboeken en grammatica's.

In termen van normering kunnen de mogelijke perspectieven beschreven worden als een verschil tussen normgeving en normvorming. In het eerste geval wordt geprobeerd een bepaald gewenst resultaat (bijv. een uniforme standaardtaal) af te dwingen. Er wordt met andere woorden een norm opgelegd. In het tweede komen normen tot stand als het resultaat van gewoonlijk langdurige sociologische en psychologische processen. Sturing van boven af speelt hierbij slechts een beperkte rol.

In werkelijkheid gaat het zoals gezegd niet om een absolute tegenstelling. Zowel spontane normvorming als normgeving spelen een rol bij taalpolitiek, in die zin dat het resultaat van spontane normvorming beschreven en daarmee gecodificeerd wordt (zie 2.2) en die codificering weer van belang is voor de normgeving, bijv. ten behoeve van het onderwijs. Het gaat dus veeleer om het vinden van een goede balans.

3 Uitgangspunten voor taalvariatiebeleid

Op grond van de overwegingen die in hoofdstuk 2 beschreven zijn, neemt de Werkgroep het standpunt in dat het onderkennen van variatie en het accepteren van verschillen in de taal een belangrijk beleidsuitgangspunt zou moeten zijn voor overheidsorganen die zich met taalbeleid bezighouden zowel met betrekking tot de standaardtaal als met betrekking tot niet-standaardvariëteiten.

Ten aanzien van variatie binnen de standaardtaal is de Werkgroep van mening dat het de voorkeur verdient in het beleid ten aanzien van taalvariatie het accent vooral te leggen op normvorming in plaats van op normgeving.

De Werkgroep beseft dat variatiebeleid zich uit de aard der zaak weliswaar in belangrijke mate op de standaardvariëteiten van het Nederlands zal richten, maar ze is van mening dat beleid daar zeker niet toe beperkt mag blijven. Ook aan andere variëteiten, zoals dialecten, streektalen en etnolecten, dient aandacht besteed te worden.

Een punt waar het taalbeleid en taalvariatie elkaar raken, betreft de discussie over de politieke erkenning van regionale taalvariëteiten als 'streektaal'. De Werkgroep acht het bestaan van verschillende, naast elkaar staande, officiële standaarden in een klein taalgebied als dat van het Nederlands onwenselijk.

In dit verband kan erop gewezen worden dat de Werkgroep achter het standpunt van de Raad en het Algemeen Secretariaat staat dat het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Straatsburg, 5 november 1992)5 niet bedoeld is voor het toekennen van een bijzondere status aan regiolecten of dialecten en dat de erkenning van het Nedersaksisch en het Limburgs als streektaal te betreuren is.

Duidelijk zal zijn dat dat standpunt geenszins een depreciatie van regio- en dialecten inhoudt. Integendeel, de Werkgroep pleit voor een actief beleid dat gericht is op erkenning van zulke taalvariëteiten als gelijkwaardige systemen met een eigen functionaliteit en op ondersteuning van onderzoek om deze variëteiten beter in kaart te brengen.

4 Adviezen

Op basis van de algemene uitgangspunten voor variatiebeleid die in hoofdstuk 3 geformuleerd zijn, komt de Werkgroep tot een aantal concrete adviezen zowel ten aanzien van het Standaardnederlands als ten aanzien van niet-standaardtalige variëteiten van het Nederlands. De adviezen zijn hieronder gegroepeerd volgens de klassieke driedeling status-, corpus- en acquisitieplanning.

4.1 Adviezen ten aanzien van het Standaardnederlands

4.1.1 Statusplanning

Rekening houdend met de verschillende vormen van variatie die in 2.2 genoemd zijn, kan binnen het Standaardnederlands een onderscheid gemaakt worden tussen het Standaardnederlands dat in formele domeinen en in de schrijftaal wordt gebruikt, en het Standaardnederlands dat in meer informele domeinen wordt gebruikt, met name in de spreektaal. Naast een verschil tussen het formele en informele domein bestaat er een geografisch bepaald verschil tussen het Standaardnederlands in Nederland en het Standaardnederlands in België. Hiermee kunnen vier (sub)variëteiten van de standaardtaal onderscheiden worden:

  • formeel Nederlands Nederlands
  • formeel Belgisch Nederlands
  • informeel Nederlands Nederlands
  • informeel Belgisch Nederlands.

De Werkgroep is van mening dat het bestaan en het bestaansrecht van deze vier vormen van de Nederlandse standaardtaal als maatschappelijk gegeven moeten worden beschouwd.

Voor het Standaardnederlands van het formele domein adviseert de werkgroep om de tendens naar convergentie van de beide nationale variëteiten te bestendigen en waar mogelijk te versterken. Voor het Standaardnederlands van het informele domein bestaat er zoals gezegd een zekere tendens tot divergentie. De Werkgroep beschouwt deze divergentie als een natuurlijk gegeven, en acht het niet realistisch om te streven naar een strakke uniformering. In dit verband kan gewezen worden op de taalpolitiek van o.a. de VRT, die een vlotte informele omgangstaal nastreeft, die weliswaar vrij is van duidelijke dialectkenmerken, maar zich ook onderscheidt van de formele standaardtaal in België en de informele standaardtaal in Nederland. Dit taalpolitieke standpunt is bij de openbare omroep vastgelegd in een Taalcharter, dat tevens fungeert als een taalgebruikshandleiding voor alle omroepmedewerkers6. Het verdient aanbeveling deze politiek te ondersteunen.

Wat betreft statusplanning adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • acties gericht op het sensibiliseren van taalgebruikers voor het bestaan en de eigenheid van de verschillende standaardtaalvariëteiten, dat wil zeggen dat taalgebruikers er bewust van moeten worden gemaakt dat variatie een normaal, maar context- en situatiegebonden verschijnsel is;
  • in het verlengde daarvan erkenning van de taalpolitieke en taalkundige gelijkwaardigheid van Nederlands Nederlands en Belgisch Nederlands;
  • acceptatie van het bestaan van verschillen tussen de formele en informele domeinen van de standaardtaal;
  • positieve attitudevorming ten aanzien van standaardtaalgebruik in het informele domein.

4.1.2 Corpusplanning

De beschrijving van de standaardtaal dient in al haar facetten (uitspraak, lexicon, grammatica) en al haar (sub)variëteiten voortdurend bijgehouden en waar nodig gecompleteerd te worden. Een goede descriptie is niet alleen van groot belang voor het onderwijs, maar vormt tevens de basis waarop concrete taaladviezen gebaseerd dienen te zijn. Zo is het noodzakelijk om op basis van onderzoek (frequentie, attitude) de precieze status van allerlei varianten (woorden, vormen, constructies) te bepalen, dat wil zeggen te bekijken in hoeverre die varianten tot de standaardtaal gerekend kunnen worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor allerlei woorden uit de Belgisch-Nederlandse woordenschat, maar evenzeer voor varianten die enkel in Nederlands Nederlands voorkomen.

Om de output van onderzoek naar variatie in de standaardtaal maximaal te ontsluiten voor de wetenschap en voor het geïnteresseerde ruimere publiek, dienen de gegevens geïntegreerd te worden in multi-raadpleegbare databanken, waarvan het beheer verzekerd wordt.

Wat de wetenschappelijke descriptieve bronnen betreft, moet in dit verband om te beginnen geïnventariseerd worden welke leemtes er nog zijn en moet een potentiële onderzoeksagenda (met prioriteiten) opgesteld worden waarbij aangegeven wordt wat de rol van de Nederlandse Taalunie zou moeten zijn (zie ook 5).

Wat betreft corpusplanning adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • beschrijving van de verschillende facetten van de standaardtaal, rekening houdend met de in 4.1.1 onderscheiden standaardtaalvariëteiten;
  • bijhouden van de beschrijving door het opnemen van nieuwe algemeen gebruikte varianten in de standaardtaal;
  • het maken, bijhouden en verspreiden van een inventaris van verschillen tussen het Nederlands Nederlands en het Belgisch Nederlands;
  • inventarisatie van de bestaande leemtes in de beschrijving van de standaardtaal en formuleren van prioriteiten bij de opvulling van de geconstateerde leemtes;
  • stimuleren van verder onderzoek van het standaardiseringsproces.

4.1.3 Acquisitieplanning

Bij het verwerven van de standaardtaal door autochtonen en allochtonen is het nodig dat sprekers van het Nederlands zich bewust zijn van verschillen binnen de standaardtaal, zowel in register (formeel versus informeel) als in geografisch opzicht (Belgisch Nederlands versus Nederlands Nederlands). Elke spreker van het Standaardnederlands wordt geacht te beschikken over a) een formele variëteit van het Nederlands, b) een informele variëteit van het Nederlands, c) enig inzicht in de verschillen tussen het Nederlands Nederlands en het Belgisch Nederlands, d) enig inzicht in het verschil tussen de formele en de informele variëteiten, e) bewustzijn van de sociale en politieke gelijkwaardigheid van de variëteiten van het Standaardnederlands.

Wat betreft acquisitieplanning adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • expliciteren van een norm ten aanzien van het onderwijs aan anderstaligen (waarbij aangetekend moet worden dat de in de extramurale neerlandistiek gehanteerde norm op een aantal punten kan verschillen naargelang de docent van Nederlandse dan wel van Vlaamse origine is);
  • attitudevorming realiseren via het onderwijs;
  • bewustmaking van onderwijsgevenden en taaladviseurs van de verschillen tussen formeel en informeel taalgebruik en tussen Nederlands Nederlands en Belgisch Nederlands.

4.2 Adviezen ten aanzien van niet-standaardtalige variëteiten

4.2.1 Statusplanning

De Werkgroep is van mening dat niet-standaardvariëteiten van het Nederlands, en met name de dialecten, op een positieve wijze benaderd moeten worden. Niet-standaardtalige variëteiten en standaardtaal zijn functioneel complementair: de eerste zijn voornamelijk gebonden aan informele situaties, terwijl formele en publieke situaties het gebruik van de standaardtaal veronderstellen. Een bewust en situationeel gedifferentieerd gebruik van beide variëteiten is een vorm van taalrijkdom.

De harmonieuze coëxistentie van niet-standaardtalige variëteiten en standaardtaal impliceert geen pleidooi om de klok terug te draaien door ingrepen tot redding of herstel van het autochtone dialect. Wel vindt de Werkgroep dat de vooroordelen die tot negatieve beeldvorming leiden, uit de wereld geholpen moeten worden. Opvattingen als zou er in onze multimediale samenleving naast de standaardtaal geen plaats meer zijn voor het dialect, als zou dialect plat en ongepast zijn, als zou dialectgebruik bij de opvoeding een goede beheersing van de standaardtaal in de weg staan, missen elke wetenschappelijke grond, maar zijn niettemin ruim verspreid bij de bevolking.

Tot een tolerante houding en een positieve attitude ten aanzien van niet-standaardvariëteiten van het Nederlands kan volgens de Werkgroep in belangrijke mate worden bijgedragen door de verspreiding via de media en het onderwijs van goed onderbouwde informatie over taalvariatie, over de functionaliteit van de niet-standaardtalige variëteiten en hun relatie tot de standaardtaal, over fenomenen als dialectverandering, regiolectisering, dialectverlies enz. Meer in het bijzonder adviseert de Werkgroep dat taalvariatie buiten de standaardtaal meer aandacht krijgt in het primair en voortgezet/secundair onderwijs.

Verder is de Werkgroep van oordeel dat de waardering voor de dialecten bij het publiek zal toenemen als de overheid metterdaad laat blijken dat ze deze autochtone taalvariëten beschouwt als een belangrijk cultuurbezit, dat verdient geconserveerd te worden en waardig is om bestudeerd te worden.

Ten aanzien van het beleid gericht op de formele status van niet-standaardtalige variëteiten van het Nederlands stelt de Werkgroep voor deze variëteiten niet te erkennen als 'regionale taal' krachtens het Europees Handvest. Hiermee schaart de Werkgroep zich achter het eerder door de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren ingenomen standpunt.7

Wat betreft statusplanning adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • erkenning van de taalkundige gelijkwaardigheid van standaardtaal, dialecten en andere niet-standaardvariëteiten van het Nederlands;
  • erkenning van het belang van het bestaan van dialecten en andere niet-standaardvariëteiten als onderdeel van het cultureel erfgoed;
  • bestrijding van vooroordelen met betrekking tot dialecten en andere taalvariëteiten;
  • positieve attitudevorming ten aanzien van het gebruik van niet-standaardtalige variëteiten in het informele domein;
  • stimulering van een positieve houding ten aanzien van niet-standaardvariëteiten via het onderwijs;
  • niet overgaan tot erkenning van taalvariëteiten van het Nederlands als 'regionale taal' krachtens het Europees Handvest.

4.2.2 Corpusplanning

Degelijke descripties van de dialecten en andere niet-standaardtalige variëteiten in al hun aspecten zijn niet alleen onmisbare bronnen voor de theoretische en de historische taalwetenschap, ze bezitten ook een belangrijke sociaal-culturele waarde.

Aan universiteiten en wetenschappelijke instellingen in Nederland en Vlaanderen lopen onder meer een aantal projecten die een grondige archivering van dialecten ambiëren, te weten atlas- en woordenboekprojecten, maar de financiering van die ondernemingen gebeurt tot op zekere hoogte onsystematisch. Om de output van het inventariserend onderzoek bovendien maximaal te ontsluiten voor de wetenschap en voor het geïnteresseerde ruimere publiek, dienen zulke dialectgegevens geïntegreerd te worden in multi-raadpleegbare databanken, waarvan het beheer verzekerd wordt. Voor de realisering van deze doelstellingen is naar de mening van de Werkgroep een degelijk gezamenlijk Nederlands-Vlaams institutioneel kader noodzakelijk.

Wat corpusplanning betreft adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • positieve actie om initiatieven ter inventarisering en bestudering van de streektalen materieel mogelijk te maken;
  • het opzetten van een Nederlands-Vlaams institutioneel kader waarin variatieonderzoek op structurele basis kan plaatsvinden;
  • het opzetten van een wetenschappelijk verantwoorde en voor een gedifferentieerd publiek toegankelijke digitale database van niet-standaardvariëteiten van het Nederlands.

4.3 Acties gericht op het publiek

Om de bovenstaande adviezen te concretiseren en bij de sprekers van het Nederlands bekend te maken, beveelt de Werkgroep de volgende acties aan:

  • het maken en doen uitzenden van radio- en televisiespots;
  • het laten verschijnen van 'advertenties' in de belangrijkste kranten en tijdschriften in Noord en Zuid;
  • het maken van een lespakket of een beeldverhaal dat gratis in het onderwijs verspreid zal worden;
  • het maken van een bondige brochure die gratis verspreid zal worden in scholen, bibliotheken, gemeentehuizen en boekhandels;
  • het maken van een website die aan het Taalunieversum gekoppeld moet worden (het adres zal ook via de andere kanalen verspreid worden);
  • het verspreiden van brochures (en het bekendmaken van de website) in landen waar Nederlands als vreemde taal wordt onderwezen.

5 De rol van de Nederlandse Taalunie

In 1.2 is aangegeven dat taalvariatiebeleid naar de mening van de Raad en de Werkgroep bij uitstek een voorwerp van zorg en aandacht van de Nederlandse Taalunie is.

Zoals in 2.2. gezegd kent taal(variatie)beleid drie hoofdthema's: status, corpus en acquisitie. Statusbeleid heeft te maken met taalfuncties en taalgebruik, corpusbeleid met de beschrijving (codificering) van de taal en acquisitiebeleid met het leren en onderwijzen van taal. Elk van deze onderwerpen heeft raakpunten met een of meer van de samenwerkingsonderwerpen en -activiteiten waarvan sprake is in het Taalunieverdrag. In de behartiging van de status van de Nederlandse standaardtaal als gemeenschappelijke taal van Nederland en Vlaanderen kan de Nederlandse Taalunie een belangrijke rol spelen omdat zij intensieve contacten onderhoudt met instituties die een essentiële functie vervullen bij de overdracht van de standaardtaal, met name met het onderwijsveld, de publieke omroep en taaladviesinstanties.

Wat het bijhouden van de beschrijving van de verschillende taalvariëteiten (standaardtaal en niet-standaardvariëteiten) en het onderzoek naar verschillende vormen van taalvariatie betreft, vindt de Werkgroep het wenselijk dat de Nederlandse Taalunie -in aansluiting bij artikel 5, lid a, waarin het aanmoedigen van wetenschappelijk onderzoek expliciet genoemd wordt - initiatieven neemt om de genoemde wetenschappelijke activiteiten via structurele overheidsfinanciering van het vereiste draagvlak en de nodige continuïteit te voorzien. De Nederlandse Taalunie zou hierin een bemiddelende, faciliterende en coördinerende rol dienen te spelen.

Concreet zou de Nederlandse Taalunie de volgende soorten acties moeten ondernemen om in 4 gedane adviezen en voorstellen te (doen) realiseren:

  • beleidsmatige coördinatie van in Nederland en Vlaanderen apart al bestaande activiteiten op het gebied van taalvariatie;
  • coördinatie van nieuw Nederlands-Vlaams taalvariatiebeleid;
  • samenbrengen en stimuleren van relevante actoren (in de wereld van wetenschap, onderwijs, media) t.b.v. de formulering en implementatie van nieuw beleid zoals voorgesteld in het advies;
  • ondersteuning bij financiering van activiteiten van derden op deelterreinen van het uitgebrachte advies;
  • eigen inhoudelijke activiteiten op deelterreinen van het uitgebrachte advies.

Eindnoten

  • [1] Zie het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Nederlandse Taalunie (Nederlandse Taalunie, 's-Gravenhage, 1988, p. 15) en de 'Associatieovereenkomst tussen de Taalunie en Suriname: resultaten van de voorbereidende besprekingen oktober 2002' (getekend in Paramaribo op 31 oktober 2002 door de Directeuren Cultuur en Onderwijs van Suriname en de Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie).
     
  • [2] Zie het 'Ontwerpverslag Openbare IPC-vergadering van maandag 18 juni 2001 in de plenaire vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag', p. 9 en de brief van de Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie aan de voorzitter van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren d.d. 21 februari 2002, kenmerk KUB02(7)hdw.
     
  • [3] Onder meer om die reden geven wij de voorkeur aan de term 'Belgisch Nederlands' boven 'Vlaams Nederlands' of 'Vlaams'. Die laatste term wordt gebruikt als overkoepelende benaming voor alle Vlaamse dialecten, ter onderscheiding van Brabantse, Limburgse dialecten enz.
     
  • [4] Conform Artikel 4, lid b van het Taalunieverdrag is "het gemeenschappelijk bepalen van de officiële spelling en spraakkunst van de Nederlandse taal" een van de Verdragstaken van de Nederlandse Taalunie (zie het Verdrag (...) inzake de Nederlandse Taalunie, p. 10).
     
  • [5] Zie Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 1993, nr. 1 en nr. 199, p. 1-5, evenals jaargang 1998, nr. 20, p. 1-5.
     
  • [6] De tekst van het Taalcharter is on line raadpleegbaar op het adres www.vrt.be/doc/taalcharter.doc
     
  • [7] In zijn vergadering van 15 juni 2000 heeft de Raad zich gesteld achter de afwijzende reactie van de Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie betreffende de erkenning van het Limburgs zoals verwoord in zijn brief van 5 juli 1999 (kenmerk 99/1914/JvH) aan de Directeur-Generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. In vervolg daarop, en eveneens in lijn met het standpunt van de Nederlandse Taalunie zoals verwoord bij brief van 6 november 2000 (kenmerk 00/5860/JvH) aan de Directie Welzijn, Economie en Bestuur van de Provincie Zeeland, adviseerde de Raad bij brief van 26 juli 2001 (kenmerk VLGWVC(19)/kp) aan het Comité van Ministers eveneens negatief over de erkenning van het Zeeuws als regionale taal onder het Handvest. Centrale overweging hierbij was dat het Handvest volgens de in Artikel 1 gegeven definitie van regionale taal of minderheidstaal expliciet niet bedoeld is voor de erkenning van dialecten als het Nedersaksisch, het Limburg en het Zeeuws. Onder verwijzing naar de definitie van J. Goossens van de dialecten van het Nederlands als "met het Nederlands verwante dialecten die gesproken worden in het gebied waar het Nederlands, en geen enger verwante taal, de rol van cultuurtaal vervult" (Inleiding tot de Nederlandse Dialectologie, Groningen, Wolters-Noordhoff, 19772, p. 23) stelt de Raad dat de (socio)linguïstische argumenten die deskundigen ten behoeve van de erkenning van het Nedersaksisch, het Limburgs en het Zeeuws, met name daar waar het gaat om de vermeend afzijdige positie van genoemde dialecten bij de totstandkoming van de Nederlandse standaardtaal, naar voren hebben gebracht, hem niet hebben overtuigd. Bij deze stellingname tekent de Raad overigens uitdrukkelijk aan dat die geen depreciatie inhoudt van dialecten en andere niet-standaardvariëteiten van het Nederlands.