Advies inzake de erkenning van het Zeeuws als regionale taal

Datum: 
15 juli 2001

juli 2001

I Achtergronden
II Bilateraal overleg over erkenning van regionale talen
III Advies over de erkenning van het Zeeuws onder het Handvest
IV Naar een actieve bescherming van variëteiten binnen en naast het Nederlands



I Achtergronden

Het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie verzocht de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren op 23 mei 2001 de aanvraag van de Provincie Zeeland voor de erkenning van het Zeeuws als regionale taal te beoordelen en hierover te adviseren. De Raad heeft het onderwerp besproken in zijn plenaire vergadering van 21 juni 2001.

Het verzoek van de Provincie Zeeland om erkenning van het Zeeuws als regionale taal volgt op de erkenning van het Nedersaksisch en het Limburgs door de Nederlandse overheid onder Deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Het Algemeen Secretariaat van de Nederlandse Taalunie is van mening dat de eenzijdige erkenning van het Limburgs door de Nederlandse Rijksoverheid een ongelukkige keuze is geweest en heeft de Vlaamse overheid geadviseerd dit voorbeeld niet te volgen, mocht de Belgische overheid het Handvest tekenen (bijlage 1, brief Algemeen Secretaris aan de Directeur-generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 5 juli 1999). Door de eenzijdige erkenning ontstaat ongelijkheid tussen het Limburgs in Nederland en België. Het Comité van Ministers heeft naar aanleiding van de casus 'Limburgs' afgesproken dat over deze aangelegenheden voortaan overleg gevoerd zal worden in het kader van de Taalunie alvorens de betrokken regeringen hierover een beslissing nemen (51ste vergadering Comité van Ministers, 4 oktober 1999).

II Bilateraal overleg over erkenning van regionale talen

Preliminair constateert de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren dat deze adviesvraag terecht aan de Taalunie c.q. de Raad is gericht. Hij neemt daarmee stelling tegen de opvatting dat de Taalunie zich alleen met de Nederlandse standaardtaal zou dienen bezig te houden. In de visie van de Raad is het Nederlands een continuüm van variëteiten waartoe zowel de Nederlandse standaardtaal als de dialecten van het Nederlands behoren.

De Raad constateert dat de behandeling van het dossier 'erkenning van regionale talen onder het Handvest' tot nu toe niet conform het Taalunieverdrag heeft plaatsgevonden. De aanmelding van talen is tot dusver een unilaterale aangelegenheid. Pas de casus 'Limburgs' heeft geleid tot een adviesvraag van de Vlaamse Gemeenschap aan de Taalunie en de afspraak om in het vervolg over deze aangelegenheden in Taalunieverband overleg te voeren en is daarmee de indirecte aanleiding voor de nu ontvangen adviesvraag betreffende erkenning van het Zeeuws (eerste kamer, vergaderjaar 1999-2000, aanhangsel, p. 11).

De Raad is zich bij dit alles overigens bewust van het feit dat België het Handvest tot dusver niet heeft getekend.

III Advies over de erkenning van het Zeeuws onder het Handvest

De Raad heeft zich in zijn vergadering van 15 juni 2000 achter het standpunt van de Algemeen Secretaris van de Taalunie gesteld betreffende erkenning van het Limburgs zoals verwoord in zijn brief van 5 juli 1999 aan de Directeur-generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (bijlage 1). De in genoemde brief gehanteerde argumentatie tegen erkenning van het Limburgs onder het Handvest wordt door de Raad gesteund.

De Raad ziet in de aanvraag tot erkenning van het Zeeuws als regionale taal onder het Handvest geen aanleiding zijn eerder ingenomen standpunt ter zake te herzien. Hij stelt zich derhalve achter de in de brief van het Algemeen Secretariaat van 6 november 2000 aan de Directie Welzijn, Economie en Bestuur van de Provincie Zeeland gegeven argumentatie (bijlage 2).

De Raad constateert verder dat in het dossier 'erkenning van regionale talen onder het Handvest' met name de erkenning van het Nedersaksisch een katalyserende werking heeft gehad en als precedent heeft gediend bij de aanvraag (en honorering) van erkenning van het Limburgs en nu de aanvraag tot erkenning van het Zeeuws.

De Raad kan echter niet tot een andere conclusie komen dan dat het Handvest niet bedoeld is voor de erkenning van dialecten zoals in het geval van het Nedersaksisch, het Limburgs en het Zeeuws aan de orde is. Artikel 1 van het Handvest definieert het begrip regionale taal of minderheidstaal als volgt:

 

  1. van oudsher worden gebruikt in een bepaald gebied van een Staat door onderdanen van die Staat die een numerieke minderheid vormen ten opzichte van de overige bevolking van de Staat; en
  2. verschillen van de officiële taal/talen van die Staat; hieronder worden niet verstaan de dialecten van de officiële taal/talen van de Staat of talen van migranten;

De Raad wijst in dit verband met instemming op de door J. Goossens in zijn 'Inleiding tot de Nederlandse Dialectologie' (Groningen, Wolters-Noordhoff, 1977, tweede druk) gegeven definitie: 'Nederlandse dialecten zijn met het Nederlands verwante dialecten die gesproken worden in het gebied waar het Nederlands, en geen enger verwante taal, de rol van cultuurtaal vervult' (p.23). Deze definitie van Nederlandse dialecten, of wellicht nog beter, dialecten van het Nederlands, is volgens Goossens 'niet zuiver linguïstisch, maar eerder sociolinguïstisch: er wordt een beroep gedaan op het linguïstisch gegeven van de verwantschap, maar ook op het sociolinguïstische van de coëxistentie met de cultuurtaal' (p. 27).

De (socio)linguïstische argumenten die deskundigen ten behoeve van de erkenning van het Nedersaksisch, het Limburgs en het Zeeuws naar voren hebben gebracht hebben de Raad niet overtuigd, met name daar waar het gaat om de vermeend afzijdige positie van genoemde dialecten bij de totstandkoming van de Nederlandse standaardtaal.

De Raad neemt in dit opzicht dus een geheel andere positie in dan Staatssecretaris Kohnstamm die op basis van deze argumentatie, in tweede instantie, tot de conclusie kwam dat het Nedersaksisch geen dialect van het Nederlands is (kamerdebat van 19 november 1995) met als gevolg de erkenning van het Nedersaksisch en in het kielzog daarvan het Limburgs als regionale taal.

Bij de erkenning van het Limburgs door de Nederlandse overheid heeft, anders dan bij de aanvraag daartoe, de vraag of er in sociolinguïstische of taalpolitieke zin sprake is van een taal of dialect overigens in het geheel geen rol gespeeld. Vermeldenswaard in dit verband is het antwoord van de Staatssecretarissen De Vries en Van der Ploeg op vragen van lid van de Eerste Kamer Bierman: 'De beleidslijn die in 1997 met de erkenning van het Limburgs is gevolgd, is dat geen inhoudelijke toetsing heeft plaatsgevonden bij het beantwoorden van de vraag of het Limburgs moet worden gezien als een bijzondere variant van de Nederlandse taal dan wel als een eigen, niet-Nederlandse taal zoals bedoeld in artikel 1 van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Uitgangspunt bij het besluit tot erkenning van het Limburgs als regionale taal is geweest dat de Provincie Limburg grote waarde hechtte aan erkenning van het Limburgs als regionale taal onder deel II van het Europees Handvest.' (eerste kamer, vergaderjaar 1999-2000, aanhangsel, p. 11).

Tegen deze achtergrond leidt ook hernieuwde lezing van het Handvest en het bijbehorende 'explanatory report' de Raad tot geen andere conclusie dan dat het Handvest niet de erkenning van dialecten in de boven omschreven zin beoogt. De vanuit (taal)politiek oogpunt begrijpelijke behoedzaamheid waarmee, met name in het 'explanatory report' met definitorische kwesties en keuzen wordt omgegaan doet daar niets aan af.

IV Naar een actieve bescherming van variëteiten binnen en naast het Nederlands

De positie van de Raad ten aanzien van deze kwestie houdt geen depreciatie van dialecten en andere niet-standaardvariëteiten van het Nederlands in. Integendeel, de Raad hecht grote waarde aan de bescherming van taalvariatie en taaldiversiteit.

In het binnenkort uit te brengen advies 'Naar een samenhangend taalbeleid voor het Nederlands vanuit Europees perspectief' heeft de Raad een aantal aanbevelingen geformuleerd tot bescherming van dialecten en allochtone minderheidstalen, op een wijze die vergelijkbaar is met die in het Handvest. Ook worden voorstellen gedaan voor de introductie in het onderwijs van elementen die gericht zijn op tolerantie en waardering voor niet-standaardvariëteiten en de bevordering van interculturele communicatie, en voor de zorg voor meertalige burgers van Europa die een andere dan de dominante taal van een van de lidstaten als eerste taal hebben.

 

Bijlagen

 

  • Antwoord van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie aan de Directie Welzijn, Economie en Cultuur van de Provincie Zeeland.
  • Antwoord van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap inzake de erkenning van het Limburgs.

Overige adviezen